Het logo van het Nederlandse Rode Kruis.
Zoeken.
Home Actueel Blogs Merlijn Stoffels - Reis naar Jordanië, Libanon, Syrië

Merlijn Stoffels - Reis naar Jordanië, Libanon, Syrië

Doneer direct en steun het Rode Kruis Start je eigen actie en help een ander!  Aanmelden nieuwsbrief Word nu ook vrijwilliger Volg het Rode Kruis via Twitter Volg het Rode Kruis op Google + Volg het Rode Kruis op LinkedIn

​​​​​​Merlijn Stoffels is persvoorlichter bij het Nederlandse Rode Kruis. Hij maakt een reis naar Jordanië en Libanon. Hoopt zijn reis te beëindigen in Syrië, maar of dat lukt met zijn visum is nog maar de vraag. Doel van de reis is onderzoeken welk effect het aanhoudende geweld op het leven van de Syriërs heeft. En te zien hoe het Rode Kruis daar helpt. Merlijn zal ons van dag tot dag op de hoogte houden van zijn belevenissen. De foto's van zijn reis zijn te bekijken op onze facebookpagina.

DAG 16            6 november: Laatste dag in Syrië

​​De laatst dag in Syrië. We worstelen ons door de files onderweg naar een loods met hulpgoederen. Veel wegen zijn in verband met de veiligheid dicht. Ook de checkpoints waar auto’s binnenstebuiten worden gekeerd houden het verkeer op. Tussen de auto’s lopen militairen met een soort antennes op zoek naar bommen. Onderweg heb ik dus even de tijd om de gebeurtenissen van de afgelopen dagen op me in te laten werken. Zoveel indrukken en emoties. Dinsdag was veruit de heftigste dag. Voor het eerst in mijn leven staak ik een interview omdat ik anders in tranen ga uitbarsten. Wordt de 31ste hulpverlener van de Syrische Rode Halve Maan doodgeschoten. En zijn er doden en gewonden te betreuren na een bomaanslag op de historische bazaar in de oude binnenstad. Een van de mooiste plekjes van Damascus, vol met kraampjes met specerijen kleurrijk uitgestald. De collega’s van SARC rijden af en aan om eerste hulp te verlenen. Een van de vele mortierinslagen die dag in de stad.

Toch zijn er ook lichtpuntjes. Vlak voordat we naar Syrië vertrekken krijgen we het bericht dat dankzij onderlinge coördinatie tussen het Syrische leger en rebellen dinsdag duizenden mannen, vrouwen en kinderen mogen vertrekken uit de belegerde plaats Moadamiya. We zien beelden van duizenden mannen en vrouwen die grote tassen mee torsten, kinderen aan de hand. Sommigen huilden, anderen  werden ondersteund door medewerkers van de Syrische Rode Halve Maan of lagen op stretchers omdat ze niet meer konden lopen. Allen waren  hongerig en uitgeput nadat ze maanden vastzaten  te midden van gevechten. 'We moeten deze mensen spreken', zeggen we tegen elkaar. Al achten we de kans wel heel klein dat het gaat lukken. De media mogen het immers ook niet.

De collega’s van SARC voorzien de vluchtelingen in de school waar ze worden opgevangen van hulpgoederen. Ze helpen ons om toestemming te krijgen voor dit unieke bezoek. Het gebouw, afgesloten met hekken en bewakers, ligt aan de rand van Damascus en kijkt uit op een dorre vlakte. Overal hangen foto’s van president Assad. In de vieze gangen rennen kinderen rond. In een van die klaslokalen, interview ik met mijn videocamera een van de vluchtelingen. Om me heen zitten de andere mannen op hun matrassen doodstil mee te luisteren met het gesprek. Een man met 30 familieleden begint ineens hartverscheurend te huilen als ik een andere man aan het interviewen ben. De man vertelt ons dat de helft van zijn familie niet mee kon of mocht. Of hij ze ooit nog gaat zien? Niemand die het weet. Wel weet hij dat de stad na zijn vertrek hevig is gebombardeerd.

Even later spreek ik met een jongen van 15. Hij vertelt mij hoe zijn leven er aan toe ging in Moadamiya. In de gevangenis, zoals hij het zelf noemt. Overdag ging hij met zijn vriendjes op zoek naar gras en bladeren van bomen om zijn maag te vullen. Als ik hem vraag of hij honger had, zegt hij dat zijn maag er op gegeven moment aan wende om leeg te zijn. Meerdere vriendjes van hem hebben het niet overleefd. Op de dag dat de bussen komen gelooft hij eerst niet dat hij weg mag. Behalve zijn kleren heeft hij niets mee kunnen nemen. Hij is boos dat hij al drie jaar niet naar school mag. Nu zit hij hier vast met zijn moeder en zusje. Geen idee of hij hier ooit weg kan. Als ik vraag hoe het nu verder moet, dan zegt hij dat zijn toekomst hem is ontnomen. Ik zie het verdriet in zijn ogen. Het gesprek grijpt me ineens teveel aan. Ik kan niets meer vragen, anders barst ik in tranen uit. 

Eenmaal buiten spreek ik met een van de hulpverleners die de mensen heeft opgevangen toen ze aankwamen met de bussen. Hij had eten, drinken en kaas bij zich. Als hij een klein jongetje een stukje kaas geeft, barst die in tranen van blijdschap uit en rent van opwinding naar zijn vader. Het gezicht van dat jongetje is op zijn netvlies gebrand en zal hij nooit meer vergeten. De SARC vrijwilliger zegt zich grote zorgen te maken over de vele andere steden waar tot op de dag van vandaag de situatie precies hetzelfde is. De vluchtelingen zijn ons heel dankbaar dat we zijn gekomen om naar ze te luisteren. 

De tijd is gekomen om te vertrekken. We nemen afscheid van de collega’s. Bij iedereen die ik gedag zeg besef ik dat het de laatste keer kan zijn dat ik ze zie. Na een klein uurtje rijden steken we vanuit Syrië de grens over naar Libanon. Weg uit een bloedige oorlog, die een prachtig land met een gastvrije bevolking verwoest. Zo veel verhalen die ik wil delen. Dat Nederlanders weten wat die mensen overkomt in de steden waar we geen toegang hebben. Iedereen die we spraken heeft groot verdriet door het verlies van familie en vrienden, en leiden emotioneel onder het dagelijkse geweld. We doen daarom een dringend beroep op Nederlanders te storten op giro 6868 om deze mensen in elk geval het minste te bieden: dagelijkse voeding, medische zorg en een beetje warmte voor de komende winter. Zodat ze in deze gruwelijke oorlog in ieder geval hun menswaardigheid kunnen behouden.​

DAG 15              5 november: Dag met een zwarte rand

Deze dag heeft een zwarte rand. Gister bereikte ons het trieste nieuws dat opnieuw een Rode Halve Maan (SARC) vrijwilliger om het leven gekomen is tijdens het vervoeren van een gewonde in een voorstad van Damascus. Daar komen, nadat er ineens weer contact mogelijk is met twee SARC afdelingen bij Homs, nog acht vrijwilligers bij. Sinds het begin van het conflict zijn in totaal 31 hulpverleners gedood tijdens het verlenen van hulp. De EHBO’ers zijn voor mij de helden van dit bloedige conflict. Stoppen, komt in hun woordenboek niet voor. Ze laten zich door niets en niemand tegenhouden, zelfs niet door de dood.

s’ Avonds laat spreek ik hierover met een journalist van het persbureau ANP. Ik vertelde hem dat ik juist die middag een SARC ambulance had gezien waarvan de deuren en ruiten doorzeefd waren met kogels. De hulpverleners vertellen me dat ze regelmatig uren lang dekking moeten zoeken onder de auto, achter een muurtje of ze vluchten naar het dichtstbijzijnde huis. Iets vergelijkbaars gebeurde met Hassan Saleh Barakeh, die gister werd doodgeschoten door een sluipschutter. Dat horen we van een hulpverlener op de ambulancepost die goed met hem bevriend was. Hassan reed in een duidelijk gemarkeerde ambulance met de Rode Halve Maan, gelijk aan het Rode Kruis in het Midden-Oosten. Niemand weet wie de afzender van het fatale schot is. Schieten op auto’s met zo’n embleem is een overtreding van het humanitair oorlogsrecht. Is dan helemaal niets heilig in deze oorlog?

Tijdens ons bezoek spreken we veel Syriërs over hun ervaringen. Als vader, moeder, kind, oma of opa, of als zoals hierboven, hulpverlener. Het zijn zo veel verhalen; soms glijden ze van je af, soms niet. Vandaag had ik een moment dat de emmer overliep en ik zelf ook een brok in mijn keel kreeg. 

Vandaag sprak ik een vrouw van in de vijftig over hoe ze in haar buurt de eerste groep vluchtelingen zag vertrekken. Zij wilde met haar gezin thuis blijven. Toen verliet een tweede golf vluchtelingen hun buurt, wederom zonder hen. Het werd nijpender, zeer gevaarlijk, een mortier raakte het dak van hun flatgebouw.  Ze zochten hun auto die, weliswaar kapot was maar toch nog kon rijden. Zoekend naar een uitweg door de wijk die onder vuur lag. Ternauwernood vonden ze die. Een paar dagen later bleek hun gebouw te zijn verworden tot puin. Het is inmiddels maanden verder. Haar ogen worden steeds natter met de verloop van het gesprek. Ze is in paniek, ze weet niet meer hoe verder. Ze komt bij het SARC distributiepunt voor luiers voor haar 21 jarige, invalide dochter. Haar man heeft een chronische leveraandoening. Toen ze nog thuis waren is hij met financiële hulp van een lokale organisatie aan zijn hart geopereerd. Hij is blind geworden, naar haar zeggen zijn ogen vertroebeld door de stress. Hij kan niet meer werken, alleen aan haar hand de deur nog uit. Hij moet weer worden onderzocht volgens een lokale arts, want zijn buik zet uit. En hij heeft legio andere klachten. Dat kost 16.000 Syrische pond, 100 USD. Ze heeft het niet. Nog meer tranen. 'Wat gebeurt er als hij niet kan worden behandeld?' vraag ik. Ze breekt en zegt dat hij dan dood gaat. Dat is haar verteld. Onze vertaler van de Syrische Rode Halve Maan slaat het gade. Hij kent zo veel verhalen. Ik vraag hem of ik haar wat mag toestoppen, wetend dat ik slechts één iemand help. En niet die andere mensen die ik ook heb gesproken. Zij heeft recht op mijn hulp. En al die anderen hebben ook recht op hulp. Daar ben ik voor, hun verhalen op te tekenen.

DAG 14              4 november: Dit doen we dus concreet in Syrië

Onze Rode Kruis missie heeft twee doelen. We proberen via de media aandacht te vragen voor de vluchtelingen in Syrië. En hopen daardoor in combinatie met de hernieuwde campagne in Nederland meer geld op te halen. Waarmee we de hulpverlening in Syrië kunnen uitbreiden. Juriaan Lahr, hoofd internationale hulp van het Rode Kruis en Frido Hendrickx, verantwoordelijk voor noodhulp bij rampen hebben daarom diverse overleggen met de collega’s van het internationale Rode Kruis en haar zustervereninging de Syrische Rode Halve Maan in Damascus. Vandaag staat een gesprek met de collega van het internationale Rode Kruis op het programma die verantwoordelijk is voor water, sanitaire voorzieningen en hygiëne.
 
Hij vertelt dat dankzij het Rode Kruis en de SARC hulpverleners bij 20 miljoen Syriërs schoon drinkwater uit hun kranen blijft stromen. In elke provincie staan grote waterzuiveringsinstallaties, die door zogeheten water boards worden gerund. Sinds de uitbraak van de gevechten en de sancties levert het Rode Kruis enorme hoeveelheden chemicaliën en reserveonderdelen waarmee de installaties blijven draaien. Waterleidingen gaan door alle frontlinies heen, en zo stroomt deze basisbehoefte soms van overheidsgebied door oppositiegebied, dan weer door overheidsgebied om uiteindelijk in oppositiegebied uit de kraan te komen. Heel indrukwekkend.

Ook in acute noodsituaties, worden in opvangcentra waar ontheemden worden opgevangen, voorzieningen geinstalleerd om de nieuwe bewoners drinkwater te geven. In Aleppo spuiten Rode Halve Maan-vrijwilligers insecticiden in hele wijken. Om te voorkomen dat zandvliegen Leishmaniasis verspreiden; een verschrikkelijke parasitaire infectie van de huid die ernstige littekens en zelfs verminking kan veroorzaken. Minder enthousiast wordt ik van de grote risico’s die ontstaan door de grote hoeveelheden afval die op straat eindigen en in veel wijken niet meer kan worden opgehaald. En  het rioolafval dat in meeste plekken niet meer behandeld en zo de rivieren in wordt geloosd. Hiervoor moeten oplossingen komen, waar we ons hard voor maken, maar een veel lagere prioriteit krijgt en vele malen ingewikkelder is. Slechts mondjesmaat slagen we er in afval te verwijderen, slechts een (nodige) druppel op de gloeiende plaat.

Die middag bezoeken we de medische post van SARC in de buitenwijk van Damascus, Jaramana. Ik spreek met een arts die op die post werkt. Hij behandelt elke dag gemiddeld meer dan twintig patiënten, die dat meestal zelf niet meer kunnen betalen. Zo’n 75 procent daarvan gaat om gewonden door het conflict. Ook chronische ziekte is een groot probleem. Er zijn te weinig medicijnen beschikbaar en als ze er al zijn, dan kunnen de vluchtelingen het vaak niet betalen. Tijdens het gesprek behandelt de arts een suiker patiënt die zijn voet is kwijtgeraakt. Drie weken lang moet het vocht worden verwijderd. Niet echt een prettig gezicht maar de man kijkt opgelucht en de prothese kan weer aan. In het hele land zijn dit soort klinieken, maar ook mobiele klinieken en eerste hulpposten en apotheken. Ooit mede gefinancierd door het Nederlandse Rode Kruis voor de Irakezen die tijdens de oorlog een veilige haven in Syrië zochten. De dokter merkt op dat hij nooit had gedacht dat de eigen bevolking ze nodig zou hebben.

DAG 13               3 november: Ineens is de oorlog heel dichtbij

Dit soort  reizen zijn heel intensief. Overdag de hulpverlening aan de vluchtelingen bezoeken. ’s Avonds ontmoetingen met lokale Rode Kruis collega’s. Om zoveel mogelijk te zien en horen van de huidige situatie. Tussendoor een blog schrijven en de media te woord staan. Vandaag is het Nederlandse Rode Kruis opnieuw een campagne gestart. Bekende Nederlanders zoals Floortje Dessing, zelf in Syrië geweest met haar reisprogramma. Irene Moors , oud journaal lezer Gijs Wanders en zelfs Prinses Margriet roepen in spotjes de Nederlanders op geld te doneren op giro 6868 voor de slachtoffers van het geweld in Syrië. Ik start de dag vroeg met interviews met BNR en NOS radio1. Ook de rest van de dag staat de telefoon roodgloeiend. De journalisten willen een ooggetuigen verslag vanuit Syrië. Het is schakelen. Zelf vluchtelingen en hulpverleners interviewen met mijn videocamera. Tussendoor de journalisten te woord staan. Geen handige timing, maar we moeten alle kansen aangrijpen om de mensen in Nederland te vertellen welk drama we voor onze ogen zien voltrekken.

De eerste stop vandaag is Jaramana, een buitenwijk ten zuiden van Damascus. Onderweg passeren we een fontein met een keurig geharkt grasveldje eromheen. Alsof er niets aan de hand is. De checkpoints en de barricades om veel openbare gebouwen helpen  me snel uit deze droom. Bij mijn vorige bezoek vertelden de collega’s van de Syrische Rode Halve Maan dat ze in dit deel van het land slechts twintig procent van de geregistreerde vluchtelingen kunnen helpen. Een half jaar later is de situatie niet veranderd. De vluchtelingen die ze wel helpen krijgen één voedselpakket per drie maanden. Na een maand is het al op. Ook moeten ze het voedsel bedoeld voor één gezin vaak met drie gezinnen delen. Wat moet ik de rest van de maand, roept een jonge vader met twee kinderen wanhopig bij een distributiepunt voor hulpgoederen in een voetbal stadion. Hopelijk dat we met de gestarte campagne meer mensen kunnen bereiken.

In datzelfde stadion worden ook vluchtelingen opgevangen in de kleedkamers in de kelder, waar geen elektriciteit is als we binnenlopen. Het is veel drukker dan een half jaar geleden. De man die verantwoordelijk is voor de opvanglocatie zegt de stroom vluchtelingen niet meer aan te kunnen. Ze hebben de Moskee in de buurt nu ook geopend, maar dat is nog steeds niet genoeg. Ik spreek met een vader, die woont in een kamer van vier bij drie meter hooguit. Hij verblijft daar met twee gezinnen, 15 personen. Hij is wanhopig, want hij kan daar niet blijven. De opzichter probeert een alternatief te vinden voor de familie, maar dat is heel moeilijk verzekert hij ons. Tijdens het gesprek horen we een enorme knal. In de buurt van het stadion is een een granaat ingeslagen. Paniek. Iedereen rent door elkaar. Moeders slepen hun kindertjes uit de kamers, weg van de buitenzijde van het gebouw. Ook wij moeten de wijk zo snel mogelijk verlaten. Ineens is de oorlog heel dichtbij en raak ik doordrongen van de angst waar deze vluchtelingen uit Aleppo, Homs en vele andere steden al meer dan twee en een half jaar leven. Het is ineens doodstil op straat. Het voetbalveld, waar meer dan 30 kinderen training hadden, plots verlaten.  Nauwelijks bekomen gaat mijn telefoon opnieuw. Een journalist van het Algemeen Dagblad aan de lijn. Hij heeft haast, want hij moet zijn deadline halen. 

Op de terugweg moet ik ineens denken aan een gesprek met mijn 94 jarige oma. Na mijn vorige bezoek aan Syrië ging ik bij haar langs en vertelde over mijn ervaringen. Steeds weer trok ze de parallel met de Tweede Wereldoorlog. Die angst voor het langdurige geweld, voedseltekort in de hongerwinter en verblijven bij familieleden. Ik vertelde haar dat het zo moeilijk is om Nederlanders overtuigen om geld te geven voor de slachtoffers in conflictsituaties zoals in Syrië. Terwijl bij natuurrampen de mensen massaal storten. Alsof de problemen van deze mensen, die niet gevraagd hebben om deze burgeroorlog, minder erg zouden zijn. Daar begrijp ik niets van zei mijn oma. Wij hebben zo kort geleden in dezelfde situatie gezeten. Wij moeten toch als geen ander weten hoe belangrijk hulp is. En een oorlog laat misschien wel meer sporen van verdriet na. Wijze woorden van een oude dame.

DAG 12               2 november: We mogen Syrië in!

Tijdens het ontbijt vanmorgen begint mijn telefoon te trillen. Een mailtje van Juriaan Lahr: ‘Koffers inpakken!!!’. Grote opluchting, want we zitten al dagen in spanning of we Syrië wel of niet in kunnen. Juriaan, hoofd internationaal van het Nederlandse Rode Kruis, krijgt het heugelijke nieuws van de collega’s van de Syrische Rode Halve Maan. Een half uur later staat de auto voor de deur en vertrekken we door de Bekaa vallei naar Damascus. Onder toeziend oog van president Assad, op een grote foto aan de muur, krijgen we het visum uitgereikt. Het is gelukt. De laatste etappe van onze reis na Jordanië en Libanon kan beginnen. Met als doel de slachtoffers van het geweld een gezicht te geven. 

In de auto wordt ik bijgepraat door een SARC hulpverlener over de laatste stand van zaken. Onderweg passeren we de ene checkpoint na de andere. Het is onrustig in Damascus vertelt de hulpverlener mij. De afgelopen weken wordt de stad keer op keer getroffen door mortier granaten. De regering schiet op de buitenwijken. De oppositie schiet op Damascus. De bommen zijn vaak ongericht en treffen veelal burgers. Mensen in Damascus zijn bang om de straat op te gaan. Onderweg hoor ik regelmatig een inslag. Dat is de stad uit zegt de SARC vrijwilliger om me gerust te stellen als hij mij bezorgd ziet kijken. Ook zie ik niet eens zo ver weg een rookpluim. Eenmaal in Damascus lijkt het leven ineens heel gewoon. De mensen lopen op straat alsof er niets aan de hand is. Dat voelt raar. We komen zelfs terecht in een lange file. In dit geval vind ik dat niet erg, want ik heb zoveel vragen over de situatie in Syrië.

Er is tekort aan alles, verzekert de hulpverlener mij. Inmiddels zijn in Syrië zo’n 9 miljoen burgers direct getroffen door het conflict. Deze mensen hebben allemaal hulp nodig, maar we kunnen slecht een klein deel helpen. Het is de nachtmerrie van elke hulpverlener. Mensen die hulp nodig hebben in de kou laten staan.  We hebben heel dringend meer voedsel, dekens, matrassen en medicijnen nodig. Zeker met de winter op komst is dit van levensbelang.  In grote delen van het land is SARC vrijwel enige die toegang heeft tot de slachtoffers, zoals bijvoorbeeld Aleppo. Veel mensen daar en in andere delen van het land zijn afhankelijk van onze hulp.  En ook onze wagens worden ook regelmatig beschoten, maar we gaan door, zegt de vrijwilliger, want we moeten helpen. Wat een helden zijn dit toch, denk ik bij mezelf. Ik weet niet of ik dit zelf zou doen.

Als we aankomen bij het hoofdkantoor van de Syrische Rode Halve Maan en het Internationale Rode Kruis wijst mijn collega me op de minaret vlak naast het kantoor. Midden in de toren zit een gat. Die ochtend heeft is er een mortiergranaat  ingeslagen. Eenmaal binnen vertelt een collega van het internationale Rode Kruis dat ze onlangs opnieuw heeft moeten verhuizen omdat er granaten in waren geslagen op de dak van de flat waar ze woonde. Vandaag is een klaslokaal van een van mijn kinderen verwoest door een inslag, vult een collega van SARC haar aan. Ik krijg kippenvel, de oorlog komt heel dichtbij. Tijdens de veiligheidsbriefing wordt ons te verstaan gegeven dat we in tegenstelling tot de vorige keer niet mogen lopen in de stad. Te veel risico´s. Of je moet zin hebben in een groot avontuur, merkt mijn collega lachend op. Het thuisfront was al niet blij met dit bezoek, dit helpt daar niet bij. Later heeft een collega van het Internationale Rode Kruis, de ICRC de geruststellende mededeling dat het in de hoofdstad van Jemen veel gevaarlijker is. 


DAG 8                 29 oktober: Verjaardag van het Rode Kruis

Vanmorgen vroeg een sms. Ik schrik wakker. Ik hoor in de verte het ochtendgebed. Een sms van mijn zus om te melden dat ze op radio4 een aankondiging hoorde van een interview met mij later in de uitzending. Snel spring ik onder de douche. De redacteur neemt nog even snel de vragen door en laat me meeluisteren met de uitzending. Ik hoor een opera van Mozart en realiseer me dat ik even terug moet schakelen en rustig praten. De overgang is voor de luisteraars anders erg groot. De presentator Margriet Vromans feliciteert me met het 150 jarige bestaan van het Rode Kruis en zegt in de introductietekst dat we als cadeau om een veilige toegang in Syrië vragen. Later meer daarover.

De afgelopen dagen is er ineens veel interesse van de media voor het conflict in Syrië. De VN heeft het bericht naar buiten gebracht dat bij 10 kleine kinderen de diagnose polio is vastgesteld. Het is de eerste uitbraak in 14 jaar. Polio is ernstig, want kan lijden tot verlamming, zelfs de dood. Voor de burgeroorlog in Syrië was 95 procent van de kinderen ingeënt tegen de ziekte. Volgens de VN zijn er nu 500.000 kinderen zonder inenting. Ook het Rode Kruis heeft grote zorgen hierover. Een nieuwe zwarte bladzijde voor de inmiddels 9 miljoen Syriërs die worden getroffen door het conflict in Syrië. Het is van groot belang dat de besmette kinderen snel worden behandeld. Als ze deze behandeling niet krijgen dan is de kans op blijvende gevolgen veel groter. En hier zit een van de grote problemen van dit moment. De toegang.

Alle Rode Kruis- en Rode Halve Maan-verenigingen roepen daarom vandaag alle partijen in Syrië op om hulpverleners toegang te geven tot de getroffen bevolking. Dat is een bijzondere stap, met zijn allen. We vragen de strijdende groepen de veiligheid van de hulpverleners te garanderen. Het Rode Kruis spreekt van een humanitaire tragedie in het Arabische land. Zeker 9 miljoen mensen, van wie de helft kinderen, lijden direct onder de gevolgen van de oorlog. De hulporganisatie wijst erop dat 22 hulpverleners van de Rode Halve Maan zijn omgekomen en dat vele anderen gewond en vermist zijn geraakt of ontvoerd zijn tijdens hun werk. Drie hulpverleners die half oktober werden ontvoerd zijn nog steeds niet vrijgelaten. Volgens de organisatie moet de neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid van het Rode Kruis worden gerespecteerd om ervoor te zorgen dat getroffenen hulp kunnen krijgen.

De organisatie doet deze oproep op de dag dat de organisatie 150-jarig bestaat. Het Rode Kruis werd 29 oktober 1863 opgericht door Henry Dunant, die onderweg naar Italië, toevallig op een slachtveld terecht kwam. Hij zag dat de militairen doodgingen, simpelweg omdat er geen hulp was voor de gewonde militairen. Inmiddels zet het Rode Kruis zich niet meer alleen in voor de militairen, maar voor alle slachtoffers in conflictsituaties. Vrijwilligers die duidelijk zichtbaar het internationaal symbool ter bescherming van medische personeel dragen: een rood kruis op een witte achtergrond. Anno 2013 is neutrale, onafhankelijke hulpverlening, beschermd door het rode kruis-embleem, onverminderd relevant. Helaas wordt dat in Syrië niet door alle partijen even serieus genomen.

Vandaag is de laatste dag van ons bezoek aan Libanon. We nemen een kijkje bij een Palestijns vluchtelingenkamp in Beiroet waar het Rode Kruis een ziekenhuis mede-financiert. Burj El-Barajneh is een van de vele kampen die na de Tweede Wereld Oorlog ontstaan zijn toen veel Palestijnen de nieuw gevormde staat Israël zijn ontvlucht. Daarna zijn ze nooit meer weggaan, want terugkeer naar hun vroegere huizen is onmogelijk. Als we aan komen rijden zie ik militairen bij de poort staan. Boven ons hangt een groot portret van de overleden Palestijnse leider Arafat. Het is meer een wijk dan een vluchtelingenkamp. De bewoners mogen er wel in en uit, maar hebben geen status. Ze mogen dus buiten het kamp niet werken, of naar school gaan. Ik schrik van de situatie in het kamp. Overal om me heen bungelen elektriciteitsdraden. Een Syrische vluchteling vertelt me dat onlangs iemand is geëlektrocuteerd toen een draad brak. 

In het kamp wonen tienduizenden vluchtelingen. De helft is inmiddels van Syrische afkomst. We spreken een man die met zijn gezin naar het kamp gevlucht is toen zijn dochter ‘s nachts huilend van de angst wakker werd en zijn zoontje in paniek schoot bij elke mortierinslag. Hij ziet vooral voor zijn kinderen de toekomst somber in. Zonder geld en zonder baan. Voor hem is het niet zo'n groot probleem; dagelijks met de dood te worden geconfronteerd. Hij wil alleen niet dat zijn kinderen daarmee opgroeien. Dat dreef hem Syrië uit. Met deze trieste worden sluiten we ons bezoek aan Libanon af. De volgende halte is Syrië. Het lijkt erop dat we uiteindelijk toch een visum gaan krijgen.

DAG 7            28 oktober: Libanon, land van tegenstellingen

Libanon is een land van de tegenstellingen. Je waant je bij de Marina van Beiroet aan Saint Tropez, met om je heen de duurste hotels, jachten en auto’s. Zo passeren we een knalrode Ferrari, die schuin op de stoep geparkeerd staat. Ik kijk omhoog en zien een karkas van een stukgeschoten flat te midden van hypermodern hotels. Overblijfselen van de burgeroorlog waaraan in 1990 na 15 jaar een einde kwam. Op het terras zie ik een vrouw zitten met het verband nog om haar neus. Schoonheid is hier alles en plastische chirurgie is net zo gewoon als naar de tandarts gaan. Een schril contrast met de verloedering die je overal om je heen aantreft als je een stukje verder loopt. In deze slechtere wijken verblijven ook veel van de Syrische vluchtelingen.

Inmiddels is 1 op de 4 mensen in Libanon vluchteling.  Groot verschil met Jordanië is dat in dit land geen vluchtelingenkampen zijn. Dus de Syriërs kunnen niet anders dan zelf voor onderdak zorgen. In een stad als Beiroet is dat lastig, want de huren zijn hoog. Veel vluchtelingen trekken daarom naar het zuiden van het land, waar het leven goedkoper is, maar de hulp schaars. Wij bezoeken in de buurt van de Zuid-Libanese havenstad en ooit Bijbelse stad Saida, een huis waar zo’n 70 mannen, vrouwen, maar vooral veel kinderen wonen. Allen uit het zwaar bevochten Idlib. Bij aankomst staan kinderen nieuwsgierig achter een metalen hek met tralies te kijken. We lopen de trap af een muffe kelder in. Het is er donker, het dak lekt en er ligt water op de vloer. Ik ruik urine en zie overal om me heen vuil liggen. In de gang hangt de was te drogen tussen de spelende kinderen. Buiten stap je meteen op een afvalbelt waar ik in een oogopslag drie ratten zie wroeten in de troep. Naar school kunnen de kinderen niet. Werk en hulp is er ook niet of nauwelijks. De tijd uitzitten, dat is het enige wat ze kunnen doen. Voor hoe lang en hoe ze de huur van deze aftandse ruimte straks moeten betalen; niemand die het weet. Een mensonterende situatie.

Deze vluchtelingen staan volgens Gerard Jonkman, Rode Kruis gedelegeerde in Libanon symbool voor veel anderen in Libanon. Dat gevoel wordt bevestigd als we andere hulpverleningsprojecten bezoeken in Beiroet en de Bekaa vallei. Het Rode Kruis helpt in Libanon onder meer met voedsel, matrassen, dekens en hygiëne pakketten. Ook zorgen we voor ambulances die in het grensgebied met Syrië gewonde of zieke Syrische vluchtelingen opvangen. En psychosociale hulp voor de vluchtelingen. Helaas kunnen we ook in dit land veel minder helpen dan nodig is.

‘s Avonds heb ik een ontmoeting met Syrische jongeren in Beiroet. Een groep van zes jongens. Ze wonen met elkaar op een kamer, anders is het onbetaalbaar. Een van de jongens komt uit Homs en is een weekje in Beiroet om even weg te zijn van de oorlog en in vrijheid te kunnen leven. Vrijheid dat is een van de grote problemen voor de Syriërs. De jongen vertelt me dat hij zo nu en dan weg moet. Weg van de bominslagen, willekeurige beschietingen en continue angst voor de dood. En even niet dichtbij die hermetisch afgesloten wijk te zijn, waar hij vijf vrienden heeft verloren. Even niets doen. De andere jongens hebben besloten een nieuw leven op te bouwen in Libanon. Ook gevlucht uit Syrië omdat het te gevaarlijk werd, of omdat ze in het leger zouden moeten. Ook zij hebben allemaal vrienden en familie verloren. Als ik vraag of de oorlog ze heeft veranderd, zegt een van de jongens ‘mijn hart is voor de helft dood gegaan’. Als een jongen dat zegt, moet ik slikken. Maar als de oorlog ooit klaar is willen ze toch allemaal zo snel mogelijk terug naar hun eigen Syrië. Ik sluit de dag af met een interview met het Oog op Morgen.

DAG 4                 25 oktober: Laatste dag Jordanië​

De laatste dag in Jordanië is aangebroken. Klaar om naar Libanon af te reizen, met als eindbestemming Syrië. Al is nog steeds onzeker of we ons visum krijgen. Het is nog moeilijker dan de vorige keren. Inshallah, zeggen ze hier dan. Als god het wil. Op de valreep bezoeken we vandaag nog een distributie van hygiëne pakketten. De vluchtelingen krijgen zeep, tandenpasta en toilet papier. Vaak zijn de omstandigheden waarin de vluchtelingen leven slecht en liggen ziektes op de loer. Ziek worden, of problemen krijgen met hun gebit, kunnen ze zich niet permitteren. Want geld om naar de tandarts of dokter te gaan is er immers niet. Het is wederom een drukte van belang bij het distributiepunt.

Ik raak in gesprek met de vijftien jarige Saeed. In Syrië was hij opgeroepen om in het leger te dienen. Saeed zegt dat hij zijn eigen landgenoten niet kan en wil doodschieten. Weigeren kan niet, dus vluchten was de enige optie. Voedsel en onderdak is het enige dat zijn familie heeft. Geld voor andere dingen, zoals medicijnen, kleding en schoolspullen is er niet. Hij loopt dan ook al maanden in dezelfde kleren. Saeed voldoet totaal niet aan het cliché beeld dat ik heb van Syrische vluchtelingen. Mannen met lange baarden en vrouwen in traditionele kleren. Saeed is een moderne, modieus geklede, goed Engels sprekende jongen met blauwe ogen en zou in een hip westers café niet uit de toon vallen. Je ziet trouwens in deze regio regelmatig vrouwen en mannen fel blauwe ogen of rood haar. Dat komt voort uit de tijd dat Alexander de Grote met zijn manschappen deze streek veroverde. Zijn mannen verkrachten de vrouwen hier en lieten Europese genen achter. 

Bij het distributiepunt spreek ik ook met een advocaat in een keurig colbert. Hij komt oorspronkelijk uit Damascus, maar moest vluchten toen zijn wijk werd gebombardeerd. Het geweld achtervolgde hem. Na de vierde verhuizing naar een veilig heenkomen kon hij niet anders dan de grens oversteken naar Jordanië. Ik vroeg hem of hij zich drie jaar geleden had kunnen voorstellen dat hij nu in Jordanië zou zijn en volledig afhankelijk van hulp. Nee zegt hij geëmotioneerd. ‘Ik had een bloeiende zaak, meerdere huizen. Ik was heel gelukkig. Nu ben en heb ik ineens niets.’ Maar het kan nog erger. Een 36 jarige man uit Homs verteld me dat hij binnenkort zijn huur niet meer kan betalen en dat hij met zijn gezin letterlijk op straat komt te staan. Een vrouw mengt zich in het gesprek. ‘Als er niet meer hulp komt, moeten we met gevaar voor eigen leven weer terugkeren naar Syrië.’ 

De gesprekken grijpen me anders aan dan afgelopen dagen. Misschien komt dat doordat de mannen en vrouwen die ik vandaag sprak niet eens zoveel verschillen van mijzelf, qua kleding, opleiding en werk. Ik realiseer me dat ook mijn eigen, gewone leven misschien ook van de ene op de andere dag overhoop geschoten kan worden. Ik hoor de trieste verhalen aan, maar doe niets. Het geeft me een ongemakkelijk gevoel. Ik heb steeds de neiging om mijn mouwen op te stropen, maar weet dan dat ik niet terugkom met waar ik voor gekomen ben. Ik ben hier om hun ervaringen, emoties en noden op te tekenen. Om mijn wens meer Nederlanders te overtuigen dat nog veel, heel veel meer hulp nodig is kracht bij te zetten. In Jordanië heeft het Rode Kruis nog 7 miljoen euro nodig. In Syrië, Turkije en Libanon een veelvoud.​


 

DAG 3            24 oktober: Vluchtelingenkamp Zaatri

Vandaag bezoeken we het op twee na grootste vluchtelingenkamp in de wereld Zaatri. Met volgens de VN zo’n 122 duizend Syriërs inwoners. Zaatri ligt zo’n twee uur rijden ten noorden van Amman. Het land is gort droog. Behalve een paar kamelen, hutjes en huizen is niet veel te zien. Onderweg stoppen we in de stad Mafraq bij een voetbal stadion. Het Rode Kruis distribueert daar samen met de lokale afdeling van de Rode Halve Maan rijst, olie, koffie dekens, matrassen en andere hulp goederen. Voor het hek heerst er een gespannen sfeer. De Syriërs roepen, duwen en proberen het hek open  te duwen. Het blijkt dat er niet genoeg is om iedereen te helpen. De Syriërs maken zich zorgen want de winter komt eraan en ze hebben geen warme kleren en dekens.  Geen overbodige luxe, want de temperatuur zal de binnenkort dalen naar het vriespunt.

De Syriërs die in het vluchtelingen kamp Zaatri verblijven hoeven zich daarover geen zorgen te maken. Want ze hebben voedsel en drinken en matrassen en dekens en een tent als dak boven hun hoofd. Daar staat tegenover dat ze hun vrijheid kwijt zijn. Ze zitten opgesloten in het kamp. Om het kamp patrouilleren politie agenten. Ook staan om de paar honderd meter duidelijk zichtbaar auto’s met mitrailleurs opgesteld. Niet naar buiten, maar naar binnen gericht. Dat voelt naar. Zeker als we een speeltuin passeren waar dat ook zo’n gewapende auto staat. Het is surreëel om midden in de woestijn tussen de tenten van de vluchtelingen ineens kleurrijke speeltoestellen te zien met vrolijke spelende kinderen.  Een kleine oase van geluk  in een verder totaal uitzichtloze situatie. Meer dan twee jaar terug speelden veel van deze kinderen nog in de mooie parken van Damascus en Homs, en gingen deze gezinnen naar de film of uit eten in de vele gezellige restaurants die deze historische steden kennen. Met zelf twee kinderen, voelt dit opeens dichtbij.

 De mensen die we spreken zijn over het algemeen blij dat ze een veilig heenkomen hebben gevonden in het kamp. Weg van het geweld en de ellende in Syrië. De vluchtelingen die hun   familieleden zijn kwijtgeraakt kunnen terecht bij het Rode Kruis. Ze krijgen een formulier waarop ze kunnen invullen wat de namen zijn van de mensen die ze zoeken en waar ze mogelijk zouden kunnen verblijven. Deze informatie wordt in een database opgeslagen en wordt gedeeld met de zusterverenigingen in en om Syrië. De zoektocht kan dan beginnen. Zekerheid is enorm belangrijk voor de vluchtelingen. Ook al is dat het slechte nieuws dat hun geliefde of familielid dood is. Ze kunnen dan beginnen met het verwerken van hun verdriet, vertellen de collega’s van het internationale Rode Kruis ons.

Het kamp is enorm uitgestrekt. Zo ver je kan kijken zijn tenten en prefab woningen te zien. Ziekenhuis, scholen en zelfs winkels. In de hoofdstraat kunnen de vluchtelingen met geld groenten, fruit, kleding en zelfs wasmachines en televisies kopen. Even vergeet ik bijna dat ik in een vluchtelingenkamp ben. Ik krijg een rondleiding in een  tent van een vader met negen kinderen. Het is klein en behalve wat matrassen en potten en pannen is het leeg. Even verderop zijn vrouwen op een zeiltje traditioneel Syrisch voedsel aan het bereiden. Ze kneden deeg en willen dat we het proeven. Met gemengde gevoelens neem ik het aan. Hebben ze wel genoeg en hoe gaat mijn maag reageren? Toch ik kan niet over mijn hart verkrijgen dit gastvrije gebaar, dat zo typerend is voor Syriërs, te weigeren. In het kamp is het de laatste tijd relatief rustig en goed georganiseerd. Eerder waren conflicten in het kamp aan de orde van de dag.  Dat liep zelfs een keer zo uit de hand dat politiemannen werden gegijzeld en gewond raakten. Het mag dan nu relatief rustig zijn. Als we langs de bewakers rijden besef ik me hoe veel geluk ik heb dat ik de poort uit mag en kan gaan en staan waar ik wil.​


 

DAG 2        23 oktober: De echte verhalen achter het nieuws

Deze ochtend laten we ons eerst bijpraten door het internationale Rode Kruis en de lokale zustervereniging, de Jordanese Rode Halve Maan. De meeste Syriërs, zo’n 75 procent, heeft onderdak gevonden bij gastgezinnen vertellen ze ons. De rest woont in vluchtelingenkampen, waar de hulporganisaties goed vertegenwoordigd zijn. De Jordanese Rode Halve Maan richt zich daarom vooral op de vluchtelingen in gastgezinnen waarvoor veel minder hulp is. Daarbij is gekozen voor een niet traditionele manier van hulpverlenen. Naast  voedsel en andere hulpgoederen, zoals matrassen en deken, krijgen de vluchtelingen nu ook een creditcard met geld. Later meer hierover.

De president van de Jordanese Rode Halve Maan Dr. Mohammed Alhadid wijst ons op een groep gedupeerden van het conflict in Syrië waar je niet gelijk aan zou denken; de Jordaniërs. Door de komst van de vluchtelingen zijn de water, voedsel en huizenprijzen flink omhoog gegaan. Een woning in het noorden, in het grensgebied met Syrië, is bijvoorbeeld zeven keer zo duur geworden. Tel daarbij op dat de vaak hoog opgeleide Syrische vluchtelingen een laag salaris accepteren, met als gevolg dat veel Jordaniërs hun baan kwijtraken. Volgens Alhadid leven steeds meer Jordaniërs onder de armoede grens. Om onrust te voorkomen, pleit hij er daarom voor om ook Jordaniërs te helpen. 

 ‘s Middags bezoeken we een distributiepunt in Amman waar de vluchtelingen creditcards krijgen. Op de kaart wordt elke maand geld gestort. Hoeveel de vluchtelingen krijgen hangt af van de hoe zwaar ze getroffen zijn en hoe groot het gezin is. Dat varieert van 50, 80 tot 120 euro per maand. Zowel de vluchtelingen als het Rode Kruis zijn heel enthousiast over deze nieuwe manier van hulpverlenen. Voor de hulpverleningsorganisatie is dit veel minder bewerkelijk dan goederen importeren en distribueren, dus goedkoper en kunnen meer mensen worden geholpen. De lokale economie profiteert ervan, want het geld wordt in het gastland besteed. Voor de vluchtelingen is het grote voordeel dat ze zelf kunnen bepalen waar ze het geld aan uitgeven. Dit is belangrijk en soms zelfs van levensbelang, zo blijkt uit de gesprekken met de vluchtelingen.

Werken en geld verdienen is voor de Syriërs vaak onmogelijk. Ze gebruiken het geld op de kaart voor voedsel, medische hulp, schoolgeld of om de huur te betalen. Maar dat is bij lange na niet genoeg merken we als we worden ontvangen door een vader en moeder met 5 kinderen. In Syrië was de man grafisch vormgever en verdiende een goed salaris. Nadat zijn huis volledig werd verwoest, evenals de kapperssalon van zijn vrouw. Het was te gevaarlijk geworden in zijn thuisland. Nu zit hij tot over zijn oren in de schulden om de huur van kamer te kunnen blijven betalen. Als het geld op is zullen ze opnieuw moeten vluchten naar een plek waar meer hulp is. Het verhaal van een oma, haar drie dochters en vijf kleinkinderen is nog schrijnender. Ook zij moesten vluchten voor het geweld. De man van een van de dochters is doodgeschoten toen hij probeerde te vluchten uit het leger. De man van oma is vermist. Zij moet een operatie ondergaan, maar ziet daar vanaf wegens gebrek aan geld.  Met alle risico’s van dien. De mensen die hulp krijgen kunnen dus al nauwelijks de eindjes aan elkaar knopen. Laat staan de vele vluchtelingen die niets krijgen. Simpelweg omdat er niet genoeg geld is. Voor de Jordanese ‘slachtoffers’ is al helemaal geen aandacht.   ​


 

​​

DAG 1        22 oktober: Hopelijk krijg ik antwoorden deze week

Miljoenen burgers zijn keihard getroffen door de bloedige burgeroorlog in Syrië, die al meer dan twee en een half jaar woest om zich heenslaat. Vandaag vertrek ik samen met Juriaan Lahr, hoofd internationale hulp van het Nederlandse Rode Kruis naar Jordanië, Libanon en Syrië om te onderzoeken hoe het aanhoudend geweld het leven van de Syriërs op z’n kop heeft gezet en om te zien hoe het Rode Kruis helpt. De reis start in Jordanië. Ik ben vooral benieuwd naar de enorme vluchtelingenkampen,  waar soms meer dan 100.000 vluchtelingen voor langere tijd op een kluitje leven. Dat is ter vergelijking een stad zo groot als Venlo. Hoe komen ze aan hun eten, waar leven ze van, zijn er genoeg scholen en ziekenhuizen, breken er geen conflicten uit? In Libanon en Syrië zijn we een half jaar geleden ook  geweest. Toen was de nood enorm. Kan het nog erger vraag ik me af? Of we Syrië in komen is nog afwachten, want het visum is nog niet rond.

In het vliegtuig lees ik het Boek van de Koning van Jordanië, Abdullah met de titel: Onze laatste kans, streven naar vrede in gevaarlijke tijden. De Koning roept de internationale gemeenschap op om een oplossing te zoeken voor de conflicten in het Midden Oosten. Zijn koninkrijk heeft veel last van de onrust in de buurlanden en wordt al jaren overstelpt met vluchtelingen. Toen de vlam in de pan sloeg in Israël en Irak staken de Palestijnen en Irakezen massaal de grens. De meeste zijn nooit meer weggegaan. Op dit moment zoeken honderdduizenden Syriërs een veilig heenkomen in het relatief stabiele Jordanië. De Koning roemt de gastvrijheid van zijn land, maar deze grote aantallen zijn voor het relatief kleine land niet meer te behappen. Een ander probleem is dat Jordanië voor de eigen inwoners al niet eens genoeg schoon drinkwater heeft.  Laat staan voor de miljoenen vluchtelingen.

Dat het grote aantal vluchtelingen een probleem is voor Jordanië blijk ook uit het gesprek dat ik heb met de chauffeur van het Rode Kruis, die mij op komt halen op de luchthaven in Amman. Het voelt trouwens altijd weer als een warm bad als in een ‘vreemd’ land iemand in Rode Kruis tenue je staat op te wachten. In de auto krijg ik een spoedcursus Jordanië. Zo blijken er in het koninkrijk 6 miljoen mensen te wonen. 3 miljoen daarvan zijn vluchteling. De Syrische vluchtelingen hebben volgens hem meestal geen cent te makken en zijn vooral afhankelijk van hulp van organisaties, zoals het Rode Kruis. Wie gaat de vluchtelingen onderhouden vraagt hij zich af. De internationale gemeenschap zou Jordanië hiermee nauwelijks helpen. Gelukkig noemt hij Nederland als goed voorbeeld, die trok onlangs 1 miljoen euro uit voor de Syrische vluchtelingen, dan hoef ik me iets minder te schamen.  

Aangekomen in het hotel vraag ik me af hoe het kan dat de internationale gemeenschap niet uitgepraat raakt over de ernst van het conflict in Syrië. Er is zoveel focus op chemische wapens dat er onvoldoende wordt gesproken en bereikt om een veilige toegang voor de hulpverleners te creëren en meer humanitaire hulp te organiseren. De vluchtelingen moeten het grotendeels maar zelf uitzoeken. Deze en vele andere vragen spoken door mijn hoofd als ik bij het hotel aan kom. Hopelijk krijg ik antwoorden deze week. Nu naar bed, want morgen is het vroeg dag met een vol programma.