Het logo van het Nederlandse Rode Kruis.
Zoeken.
Home Actueel Blogs Merlijn Stoffels - Zuid-Soedan
28 mei 2014 |

Merlijn Stoffels - Zuid-Soedan

​​​​​​

Merlijn in Zuid-SoedanPersvoorlichter Merlijn Stoffels is in Zuid-Soedan om verhalen op te halen over de voedselnood. Zodat de mensen hier in Nederland kunnen zien en begrijpen hoe schrijnend de situatie is. Of: zoals hij het zelf omschrijft in zijn eerste blog "Hoe voelt het om slachtoffer te zijn van het grootst genegeerde humanitaire drama in de wereld en wat zijn de gevolgen daarvan? Op deze vragen hoop ik een antwoord te krijgen tijdens het bezoek van een Nederlandse Rode Kruis delegatie aan Zuid-Soedan.

Dinsdag 3 juni: Uit het oog van de wereld...​

De laatste dag in Zuid-Soedan is aangebroken. Op de valreep ga ik nog een heel bijzondere Rode Kruis activiteit bezoeken; Hulp aan strijders in conflictsituaties en in oorlogen. Hiervoor werd het Rode Kruis 151 jaar geleden opgericht door Henry Dunant. Dunant passeerde indertijd een slagveld en zag daar gewonde soldaten sterven, simpelweg omdat hulp uitbleef. Dat vond hij onverteerbaar en trommelde dorpelingen op om de oorlogsgewonden te verplegen. Tot op de dag van vandaag is dit een van de belangrijke taken van het Rode Kruis. Later werd het mandaat van de hulporganisatie uitgebreid met hulp aan burgers in noodsituaties. In Zuid-Soedan heeft het Rode Kruis zowel ziekenhuisposten in regerings- als in oppositiegebied. Deze hulp geeft me een dubbel gevoel. Natuurlijk hebben ook strijders recht op medische hulp om te overleven, maar tegelijkertijd zijn ze mede verantwoordelijk voor het gewelddadige conflict in dit land. Vandaag bezoeken we het militaire ziekenhuis is Juba. De zwaarst gewonden worden naar dit ziekenhuis gebracht. Op de muren hangen waarschuwingsposters voor cholera. Niet voor niets, want ook hier zijn negen mensen met besmettingen geweest, waarvan een met een dodelijke afloop. Overal om mij heen zie ik mannen met verbanden om de benen, handen, oren en de buik. Rode Kruis hulpverleners zijn druk in de weer met het schoonmaken en verbinden van schotwonden en andere kwetsuren. Het ziet er heftig uit, de oorlog komt ook voor mij ineens heel dichtbij.

Een dagje mee met een arts van het Rode Kruis

Ik loop mee met Joseph Adase, een arts van het internationale Rode Kruis, die een ronde aan het doen is langs zijn patiënten. Oorlogschirurgie is volgens hem een vak apart. Kogelwonden en snijwonden vergen een andere behandeling, dan normale operaties. Het ontstekingsgevaar is volgens Joseph veel groter dan normaal, daarom moeten de wonden veel langer open gehouden. Ook zijn vaak veel verschillende organen aangetast, die stap voor stap moeten worden hersteld. De chirurg stopt bij een bed van een soldaat die een verband om zijn buik heeft. Hij heeft een schotwond. De kogel is volgens de chirurg via de anus naar binnen geschoten en heeft via de buik het lichaam verlaten. Als het verband eraf gaat zie ik een flinke wond. Later vandaag zal hij voor de twintigste keer worden geopereerd. Ik zie de pijn in zijn ogen. De 30-jarige man zegt, met angst in zijn ogen, trek te hebben. Dat verbaast me niets, want ik kan zijn ribben tellen. Hij vertelt me dat zijn vrouw en kinderen heel erg bezorgd waren dat hij zou bezwijken aan zijn verwondingen. Ineens zie ik geen militair, maar een bezorgde vader. Deze militairen hebben ook niet voor dit conflict gekozen. Ik kan niet anders dan concluderen dat zij net als iedereen hulp verdienen. De dokter denkt dat deze man het wel gaat redden, maar met anderen loop het soms minder goed af. De belangrijkste reden daarvoor is volgens Joseph het gebrek aan infrastructuur. Gewonden moeten met vliegtuigen worden overgevlogen uit de conflictgebieden naar de ziekenhuizen. Het probleem is dat er zijn onvoldoende helikopters zijn.

Massaal hulp nodig

Ook de burgers hebben massaal medische hulp nodig. Omdat ze gewond zijn geraakt door het geweld, ziektes hebben zoals diarree en cholera of ondervoed zijn. Ik spreek daarover met Yves Giebens, die verantwoordelijk is voor het organiseren van de medische hulp voor het Rode Kruis in Zuid-Soedan. De hulporganisatie is volgens hem door het gebrek aan wegen vaak gedwongen om gewonden met vliegtuigen op te halen. Daarnaast worden ook volledig zelfvoorzienende mobiele teams ingevlogen, zodat snellere behandeling mogelijk is en de artsen en verpleegkundigen ook tijdens het regenseizoen gewoon door kunnen werken. De landingsbanen zijn in het regenseizoen te drassig om te landen. Het organiseren van medische hulp is een enorme logistieke uitdaging, zegt Yves. Want een kit om vijftig oorlogsgewonden te kunnen behandelen, inclusief beademingsapparatuur, weegt al 1200 kilo. Dat moet allemaal via de lucht vervoerd worden, net als andere hulpgoederen zoals voedsel, olie, dekens. Door gebrek aan ruimte moeten er keuzes worden gemaakt. Een duivels dilemma, want aan alles is tekort. Dat levert volgens Yves levensgevaarlijke situaties op. Tijdens zijn laatste bezoek aan het getroffen gebied stierven er acht kinderen in zijn armen, door gebrek aan voedsel. De situatie was zo ernstig dat ze zelfs met sondevoedsel niet meer gered konden worden. Maar medische hulp is volgens de Rode Kruis hulpverlener net zo belangrijk, want diezelfde kinderen en vrouwen hebben medische hulp nodig om te overleven. Yves concludeert dat het uitbreiden van de nu al enorme hulpoperatie de enige oplossing is. Het verhaal van Yves staat helaas niet op zichzelf. Unicef berekende onlangs dat 50.000 kinderen het risico lopen om te overlijden aan ondervoeding. Helaas zijn we nu in een nieuwe fase terecht gekomen. De kinderen lopen langer alleen het risico, maar gaan ook daadwerkelijk dood.

Het Rode Kruis overweegt daarom nu om extra vliegtuigen aan te schaffen om meer mensen te kunnen helpen, maar dat is een kostbare zaak en het benodigde geld ontbreekt. Ook de Nederlander Joris Paulus Pauwvliet, hoofd van de subdelegatie is in het midden en oosten van het land, herkent zich in de frustratie van zijn collega. Hij roept de Nederlanders voor mijn camera op om te helpen voordat het te laat is. Dat dit werk voor hulpverleners ook niet ongevaarlijk is blijkt uit verhaal van het Joris. Met kogels om zijn oren heeft hij moeten vluchten uit Bor. Joris werd net op tijd afgevoerd met een boot naar een veiligere haven. Gelukkig komen dit soort situaties niet vaak voor. En anders dan bijvoorbeeld in Syrië, wordt hier niet gericht geschoten op hulpverleners. Toch kan het slecht aflopen als je op het verkeerde moment op de verkeerde plek bent. Hij steekt dan ook veel energie in het beveiligen van de werkplekken van zijn hulpverleners. Zoveel verhalen en zoveel te zien, maar zo weinig tijd. Zo had ik bijvoorbeeld ook graag een Rode Kruis kliniek bezocht waar de slachtoffers van het geweld kunstarmen en benen krijgen en mee willen gaan met een voedseldropping, maar de tijd is op. Ik vertrek naar het vliegveld. Voor mij stijgt een hercules op van het Rode Kruis. Tot de nok toe volgeladen met hulpgoederen. Even kan ik een gevoel van trots niet onderdrukken.

Is er nog hoop?

Tot slot rest nog de vraag die ik een mijn eerste blog stelde: hebben de mensen in Zuid-Soedan nog en sprankje hoop? Om eerlijk te zijn komen de mensen die ik ontmoet heb aan deze vraag niet toe. De Zuid-Soedanezen zijn te druk met het overleven en het verwerken van de trauma's. En als je ze deze vraag op de man af stelt, dan zeggen ze geen idee te hebben of en wanneer hun situatie gaat verbeteren. Het maakt me verdrietig. Vooral als ik denk aan de vele kinderen die ik onderweg heb ontmoet en waarvan het leven nog moet beginnen. Ik hoop dan ook dat we er mede dankzij deze reis meer Nederlanders hebben kunnen overtuigen om het Rode Kruis te helpen, zodat wij de pijn van deze mensen een beetje kunnen verzachten. Ik moet en wil niet denken aan het drama dat zal volgen als deze hulp uit blijft.

Maandag 2 juni: Voorlichting over cholera

De Zuid-Soedanese hoofdstad Juba wordt op dit moment geteisterd door een cholera epidemie. Op dit moment staat de teller op bijna 1074 gevallen. Het Rode Kruis is met man en macht aan het werk om een verdere verspreiding van de uitbraak te voorkomen. We gaan vandaag met vrijwilligers van het Zuid-Soedanese Rode Kruis op pad die van deur tot deur voorlichting geven hoe de ziekte voorkomen kan worden en wat er moet gebeuren als het mis gaat. Dat is van levensbelang, want als een tijdige en adequate medische behandeling uit blijft, dan kan deze ziekte zeker voor kinderen dodelijk zijn. Gewapend met een voorlichtingsposter, met daarop de vijf stappen hoe cholera te voorkomen, zeep, waterzuiveringsmiddelen en een middel tegen uitdroging (ORS) gaan ze de wijken in. We lopen over een zanderige straat vol gaten en vuil. Dat is een risico leggen de vrijwilligers me uit. We kloppen aan bij een van de hutten. De bewoner trommelt al zijn buren op. Als de plastic stoeltjes onder de boom zijn gezet kan de voorlichting beginnen. Met grote ogen zitten de families te kijken naar de vrijwilligers die laten zien hoe je je handen moet wassen, water moet zuiveren en wat je met ORS kan doen. Tot nu toe zijn er in Juba 27 doden te betreuren. Gevreesd wordt dat dit aantal nog flink gaat toenemen.

De mensen maken zich vooral zorgen over hun kinderen en hebben daarom veel vragen. Bijvoorbeeld of ze rauw vlees samen met groente mogen klaarmaken? Nee is het antwoord, want eerst moet het vlees gebakken worden om de bacteriën te doden en daarna mag de groente er pas bij, leggen de vrijwilligers uit. Natuurlijk nadat ook de groente met schoon water is gewassen. Aan het eind van de voorlichting krijgen de mensen hulpgoederen uitgereikt en gaan we op naar het volgende hutje. Steeds weer met evenveel enthousiasme steken de hulpverleners hun verhaal af. Het klinkt allemaal misschien wat betuttelend, maar de mensen worden er blij van en door deze aanpak is een eerdere epidemie ingedamd, verzekerd een van de vrijwilligers mij. Tot nu toe zijn zo'n 8.000 huishoudens bezocht. Daarnaast geven de vaak jonge vrijwilligers ook voorlichting in kerken en bij sportverenigingen. De risico's zijn door de crisis nu extra groot, want de mensen wonen dicht op elkaar en er zijn weinig mogelijkheden om te wassen. Een snelle behandeling met onder andere antibiotica is van levensbelang, daarom leren hulpverleners ook de symptomen van de ziekte en wanneer hulp nodig is. 

Bij het bezoek aan het vluchtelingenkamp POC bij Juba worden we opnieuw geconfronteerd met cholera. Onze handen en schoenen worden bij de ingang met chloor gedesinfecteerd. Tot nu toe is cholera in de kampen nog niet voorgekomen. De autoriteiten doen er alles aan om de ziekte buiten het kamp te houden, want de kans op een snelle verspreiding van het bacterie is door overbevolking groot. Tijdens mijn werk voor het Rode Kruis heb ik inmiddels meerdere vluchtelingenkampen bezocht, maar dit kamp voelt anders. Om de tenten staat een groot hek met prikkeldraad. Bij de ingang is er een voetgangers sluis gemaakt, waar de mensen in en uit kunnen en om het kamp verhoogde uitkijkposten bemand door VN militairen. Bij binnenkomst zie ik direct Direct een groep ruziënde jongens, de sfeer is gespannen. We rijden door naar de Rode Kruis post waar mensen die opzoek zijn naar vermiste  familieleden zich kunnen melden. Een unieke service, waarbij de hulporganisatie via de lokale Rode Kruis afdelingen in binnen- en buitenland actief opzoek gaat naar de dierbaren van de vluchtelingen. Duidelijkheid is heel belangrijk voor deze mensen. Ook al is de boodschap dat het niet goed is afgelopen, want dan kunnen ze in ieder geval met de verwerking beginnen. De mensen hebben heel weinig te doen, anders blijven ze maar malen, zegt de Rode Kruis hulpverlener.

Dat er weinig te doen is bevestigen ook een groep studenten die in het kamp verblijven. Ze kunnen al maanden het kamp niet in of uit. Dat is door de aanhoudende strijd te gevaarlijk voor ze, zeggen ze. Ik spreek met een arts in opleiding, een keurig geklede jongen met een bril. Eerst dacht ik nog dat hij een van de vrijwilligers van het Rode Kruis was, maar ook hij blijkt vluchteling. De keurig engels sprekende jongen bruist van de energie, maar heeft niets te doen. Studeren kan niet. Er is een ruimte waar tegen betaling televisie kan worden gekeken, maar geld daarvoor hebben ze niet. Hij zou graag sporten, maar daarvoor is geen ruimte in het kamp. Dat verbaast me niets als ik zie hoe dicht de tenten op elkaar staan, met daartussen kleine drassige kleine gangetjes. Het situatie va de jongen maakt me verdrietig en benauwd. Voorlopig zit er voor hem niets anders op dan zijn tijd te verdoen in dit vreselijke kamp. De jongen vraagt of we een pooltafel kunnen regelen, wij voelen daar wel wat voor, maar moeten onderzoeken of dat mogelijk is. Naast familiehereniging, heeft het Rode Kruis ook de eerste paar waterpunten in het kamp aangelegd, aldus de hulpverlener. Tijdens het gesprek hoor ik op de achtergrond vrolijke gospelmuziek, er een kerkdienst is aan de gang. Het is een schril contrast met de rauwe werkelijkheid in het kamp. Veel Zuid-Soedanezen zijn christelijk. Bij vertrek zien we een vrolijk geklede zangroep al zingend via de prikkeldraad sluis naar buiten lopen. Het zijn geen vluchtelingen, maar ze komen speciaal voor de kerkdienst naar het kamp. Zij zijn, omdat ze van een andere stam zijn, wel vrij om te gaan en staan waar ze willen. Wat kan het leven toch oneerlijk zijn.

 

Zondag 1 juni: Ploeteren in de modder

De laatste dag in het vluchtelingenkamp Minkamen is aangebroken. Het is vroeg dag, want deze ochtend staan een aantal interviews op het programma met Nederlandse media. Natuurlijk houden die geen rekening met het tijdsverschil. Het Rode Kruis luidt deze ochtend via een persbericht de noodklok over de dramatische situatie in het land. Juriaan Lahr, het hoofd internationale hulp van het Nederlandse Rode Kruis roept via het persbureau ANP en de radio stations BNR en Radio1 de Nederlanders op om geld te storten op giro 5125. De rest van de ochtend gebruiken we om na al die ellende een iets vrolijkere Rode Kruis activiteit te bezoeken; herstel van familie contact. De vluchtelingen kunnen via de hulporganisatie 3 minuten gratis bellen met vermiste familieleden. Geen overbodige luxe, want veel families zijn elkaar tijdens de vlucht voor het geweld uit het oog verloren. Geld om te bellen hebben ze vaak niet. Helaas lukt het niet iedereen om contact te krijgen, merken we als we een tijdje staan te kijken. Maar soms lukt het ineens wel. Een vrouw, gevlucht uit Bor, is opgelucht. Ze heeft haar nicht bereikt en ze blijkt nog in leven te zijn. Een andere vrouw heeft het geluk dat ze familie te hebben de Verenigde Staten. Dankzij dit telefoongesprek heeft ze aan hen geld kunnen vragen voor haar noodlijdende familie. 

Ineens begint het weer te regenen. We stoppen bij een paar hutten waar kinderen in de modder aan het spelen zijn. Een triest gezicht. Zo wil niemand zijn kinderen grootbrengen. Ik spreek met een jongetje van 14 en een meisje van 11. Hun hut ligt vlakbij een plas water. Het zal niet lang duren voordat hun onderkomens gaan onderlopen. Beiden zijn gevlucht en zijn getuigen geweest van het geweld, de plunderingen, de branden en het moorden. Ze zijn blij veilig in het kamp te zijn, toch verlangen ze ernaar om terug te keren naar huis. De levensomstandigheden in het kamp zijn door de modder en het eenzijdige eten zwaar. De kinderen hebben behalve school niets te doen. Voetballen zoals thuis, is er niet bij, vult het jongetje aan. Als ik aan het meisje vraag hoe het nou verder moet, zeg ze dat er geen voor haar geen toekomst is zolang ze in het kamp zit. Teruggaan naar huis zit er echter voorlopig niet in, want Bor is nog steeds niet veilig voor vrouwen en kinderen. Alleen mannen die hard kunnen rennen, gaan terug vertellen ze me. Mijn vertaler, een vrijwilliger van het Zuid-Soedanese Rode Kruis, schrijft de namen van de kinderen op en ik film ondertussen de schrijnende situatie waarin de kinderen leven. Grappig detail is dat de 24-jarig Rode Kruis vrijwilliger meer dan twee meter is. Ik heb nog nooit zulke lange mensen gezien als in Zuid-Soedan, terwijl Nederlanders gemiddeld toch de langste mensen van de wereld zijn. Het schijnt eraan te liggen dat ze zoveel melk drinken, vertellen ze mij. Veel van de vrijwilligers spreken ook vloeiend engels, dat zou je in zo'n land niet verwachten. 

Even verderop word ik bedankt door een man die zegt dat hij en zijn familie zonder het Rode Kruis dit conflict niet hadden overleefd. In Bor had hij zo'n goed leven vertrouwt hij mij toe, maar hier heeft hij niets en is hij totaal afhankelijk van hulporganisaties. Dat de nood nog steeds groot is blijkt ook uit het verhaal van een 26-jarige vrouw met een baby'tje in haar hand. Ook zij is gevlucht. Ze was hoog zwanger, maar had geen andere keus dan te vertrekken om te overleven. Onderweg begonnen de weeën en ze beviel aan de kant van de weg. Eenmaal in het kamp aangekomen doemde nieuwe problemen op. Ze heeft geen geld om een onderkomen te bouwen en voedsel kan ze ook niet krijgen. Daarom slaapt ze nu met haar kinderen in en hut gemaakt van tentzeil van ongeveer twee bij twee meter. In die kleine ruimte slapen 4 families, bestaande uit 24 mensen. Waar haar man is weet ze niet, maar dat ze geen kant uit kan dat weet ze wel. Na opnieuw een trieste geschiedenis, is het tijd om terug te keren naar het basiskamp van het Rode Kruis. We moeten op tijd zijn voor de vlucht terug naar Juba. Dit keer vliegen we met een helikopter van het wereldvoedsel programma, waar gelukkig nog een plek voor ons vrij was. Vlak voordat we willen vertrekken gaat mijn telefoon. De Belgische versie van het radio1 journaal aan te de lijn, of ze me mogen interviewen over de situatie in Zuid-Soedan. Ik sluit het gesprek af met de opmerking dat het levensgevaarlijk is als we deze mensen nu aan hun lot overlaten. Dat hebt u goed duidelijk gemaakt, concludeert de presentator.​

kinderen-soedan.jpg

Zaterdag 31 mei 2014: Gekookte bladeren​

 

De volgende ochtend word ik gewekt door een enorme hoosbui. Ik denk aan de families die ik gister gezien heb en realiseer me dat velen van hen nu nat worden in hun lekkende provisorische hutjes. We moeten zorgen dat al deze mensen dekzijlen krijgen, maar weet dat het onmogelijk is om iedereen te kunnen helpen. Simpelweg omdat het Rode Kruis en andere organisaties daar onvoldoende geld voor hebben. Gelukkig voor de vluchtelingen, maar ook voor mij stopt het met regenen. Door de blubber loop ik naar het washokje. Daar kan ik me met een emmer water wassen. Ik bedenk me dat mijn collega's, sommigen zitten hier al maanden, het ook niet makkelijk hebben. Maar zij hebben tenminste nog een hokje. In het kamp wassen veel vluchtelingen zich in vervuilde plassen. Na het ontbijt stappen we in de auto en vertrekken naar het noorden. Daar zijn een paar dorpjes in de bush waar het Rode Kruis een paar weken geleden ook distributies heeft gedaan. De strijders werden begin januari vanuit Juba naar het noorden gejaagd. Ze plunderde de dorpjes die ze onderweg tegenkwamen, en staken de hutjes in brand. De mensen die niet konden vluchten werden ontvoerd, vermoord en soms ook verkracht. 

De Rode Kruis hulpverlener, die een van de getroffen dorpjes bezocht om te onderzoeken wat er voor hulp nodig was, vertelde mij dat hij in shock was toen hij daar aankwam. Hij zag kindjes met hongerbuikjes, de mensen liepen vertraagd, zoals in een te langzaam afgespeelde film, in de ogen van de mensen was duidelijk te zien hoe getraumatiseerd ze waren. Ik ben in veel conflictgebieden geweest, maar zo erg heb ik het nog nooit gezien. Zo zegt hij. Ook nu nog, maanden later, blijkt de situatie heel nijpend. Al hun vee, huisgerij en de volledige graanvoorraad is gestolen. Veel huisjes zijn inmiddels hersteld met de dekzijlen van het Rode Kruis, maar het voedsel wat ze gekregen hebben is op. Ze houden zichzelf nu in leven door bladeren te koken. Kleine kinderen worden eropuit gestuurd op deze bladeren te gaan zoeken. Diezelfde kinderen die het drama voor hun ogen hebben zien gebeuren. Ook hier veel mensen met diarree, maar een medische post is in de omgeving nergens te bekennen. 

Ik spreek met een man die zijn huis nog niet heeft kunnen opbouwen. Simpelweg omdat hij dat niet kan betalen. Tot die tijd mag hij in de kerk slapen. Maar dit is nog niet het ergste. Tijdens de aanval, was hij niet in het dorp. Als hij terug komt ziet hij de ravage en zijn vrouw dood in zijn hut liggen. Zijn zoon is weg, alleen zijn dochter leeft nog. Zijn zoektochten hebben tot op heden niets opgeleverd. Als ik hem vraag of hij verwacht in de toekomst zijn leven weer op te kunnen bouwen schieten de tranen in zijn ogen. De enige manier om geld te krijgen om zijn veestapel weer op te kunnen bouwen en dus in een eigen inkomen te gaan voorzien, is door zijn dochter te verkopen, maar die is nog veel te jong. 

Even later spreek ik met een jongetje van tien. Zijn verhaal is zo triest, dat ik twijfel of ik het wel op moet nemen met de video camera. Hij wil het vertellen, zo laat hij de vrijwilliger van het Rode Kruis weten, die voor mij vertaalt. Als ik vraag wat er de bewuste nacht gebeurde, zie ik de trieste blik in zijn ogen. Hij kijkt me niet meer aan als hij zijn relaas doet. Zijn vader, broer en zusje werden voor zijn ogen vermoord. Nu is hij alleen over. Zijn tante zorgt voor hem, maar die heeft niet genoeg eten om hem te kunnen voeden. Steeds weer denkt hij terug aan die fatale dag, het lukt hem niet om het los te laten. Hij ziet niet hoe hij ooit nog een goede toekomst kan opbouwen, Ik krijg een brok in mijn keel. Het liefste zou ik hem mee willen nemen. Weg van hier, weg van de angst en ellende. Ik weet dat dat niet kan, maar het frustreert me dat er onvoldoende geld is om deze jongen na alles wat hij heeft doorgemaakt in elk geval te kunnen voorzien van de eerste levenbehoefte. 

Vrijdag 30 mei 2014: Minkamen

Vanmorgen vroeg op om te vertrekken naar Minkamen, het grootste vluchtelingenkamp in Zuid-Soedan. Minkamen groeide uit van een dorpje met omstreeks 7.000 inwoners naar een stad van ruim 90.000 en nog elke dag komen er nieuwe vluchtelingen bij. Hulpgoederen bij deze slachtoffers krijgen is moeilijk, want door de slechte weg zijn de vrachtwagens 2 dagen onderweg. Terwijl de afstand slechts 150 kilometer is. Wij kunnen gelukkig meevliegen met een helikopter van het Rode Kruis die hulpgoederen en personeel moet afleveren in het kamp. Op de luchthaven rijden we langs de Rode Kruis vliegtuigen, waaronder zelfs een hercules voor de grote distributies die niet over de weg gedaan kunnen worden. Met de toestellen worden inmiddels zelfs voedseldroppings gedaan. Vanuit de lucht kun je goed zien hoe onontgonnen het land is en dat er nauwelijks wegen zijn. Veertig minuten later zie ik het vluchtelingenkamp opdoemen. Het ligt aan de rivier de Nijl. Wat opvalt is hoe enorm uitgestrekt het is. We worden opgewacht door een vrijwilliger van het Zuid-Soedanese Rode Kruis. Op zijn voorhoofd zie ik littekens. Vier rechte strepen. Het zal wel een teken zijn, dat hij bij een van de stammen hoort, denk ik bij mezelf. Later meer hierover.​

In het kamp aangekomen wordt al snel duidelijk hoe zwaar het leven voor de vluchtelingen is. Overal zie je plassen en modder. Het water kan door de harde klei ondergrond nauwelijks wegzakken. Ook onze terreinwagen komt vast te zitten. Onderweg zien we ook vrachtwagens die zijn vastgelopen in de modder. En dan is het regenseizoen nog niet eens echt begonnen. Het Rode Kruis is druk met de voorbereidingen voor het regenseizoen. Zo zullen in het kamp zo'n 300 wc's worden opgehoogd met grote containers die worden ingegraven. Hierdoor moet worden voorkomen dat de wc's over gaan lopen en de poep eruit gaat lopen en tussen de provisorisch gebouwde hutten terecht komt. Met alle gevaren van dien, want het vergroot de kans op diarree. Dat kan, zeker voor kinderen, dodelijk zijn. Bij een wc die nu al is overgelopen zie ik een bloot kindje met vliegen om zijn ogen, spelen. We leggen zijn ouders uit dat dit niet verstandig is. Nu zijn al veel mensen in het kamp ziek, zegt een moeder van vier kinderen tegen mij. Haar dochters hebben diarree, maar geld om medicijnen te kopen heeft ze niet. Voedsel hebben ze wel, maar erg eenzijdig. Net als wij aankomen is een grote voorraadtent neergezet, zodat ze ook tijdens het regenseizoen de noodzakelijke hulp kunnen krijgen om te overleven. 

s' Avonds raak ik in gesprek met de vrijwilliger van het Zuid-Soedanese Rode Kruis Diing, die ons kwam ophalen op de landingsbaan. De 25 jarige hulpverlener komt zelf uit BOR. In de stad, gelegen in de buurt van het kamp aan de andere kant van de rivier. Hij vluchtte naar een dorp verderop, terwijl meer dan 50.000 anderen ternauwernood hun leven probeerden te redden door met boten de rivier over te steken. Veel van de mensen die achterbleven, veelal ouderen, werden vermoord. De eerste dagen waren hel volgens Diing. Dagenlang hadden de mensen niets te eten, er was geen hulp voor de gewonden en geen plek om te slapen. Daarbij was het ook nog eens bloedheet. Meer dan 40 graden. Na vier dagen kwam er verlossing van het internationale Rode Kruis. Diing werkte  samen met de andere vrijwilligers van het Rode Kruis de klok rond om de zwaarst getroffenen te kunnen helpen. Dat was niet makkelijk want iedereen had hulp nodig.  De afgelopen maanden heeft het Rode Kruis in Minkamen en omliggende gebieden meer dan 100.000 mensen van voedsel voorzien, maar ook dekzijlen om de hutten te kunnen beschermen tegen de regen, kookspullen en schoon drinkwater. Maar het werk is nog lang niet klaar, voegt een hulpverlener van het internationale Rode Kruis toe. We besluiten de volgende dag een bezoek te gaan brengen aan die dorpen.

Ik vraag Diing of dit de eerste keer ​is dat hij heeft moeten vluchten voor het geweld. Dan komt er onverwachts een verklaring voor de littekens op zijn voorhoofd. Het blijkt een heftig verhaal. Als vier jarig jongetje werd Diing ontvoerd door strijders. Hij kreeg met een mes sneeën op zijn voorhoofd die inkepingen maakten. Naar later bleek was dat het symbool van die andere stam. Vier jaar lang zag hij zijn ouders niet en was hij onder gebracht in een 'vreemd' gezin dat hem als zijn 'zoon' beschouwde. Uiteindelijk wisten zijn ouders hem alsnog op te sporen. Zij eisten hun zoon terug en dreigden met wraak. Toch duurde het, door de slechte wegen en voortdurende strijd, daarna nog 6 jaar voordat hi​j terug was.​

Donderdag 29 mei 2014:  We moeten deze ramp aandacht geven!

Hoe voelt het om slachtoffer te zijn van het grootst genegeerde humanitaire drama in de wereld en wat zijn de gevolgen daarvan? Op deze vragen hoop ik een antwoord te krijgen tijdens het bezoek van een Nederlandse Rode Kruis delegatie aan Zuid-Soedan. Het land wordt sinds december afgelopen jaar verscheurd door een zeer gewelddadig conflict. 1,3 miljoen mensen hebben hun huis moeten verlaten, omdat het er niet langer veilig was. De vluchtelingen leven onder erbarmelijke omstandigheden en zijn om te overleven volledig afhankelijk geworden van hulp. Ook de achterblijvers hebben het zwaar te verduren. Landbouw is door het conflict ernstig bemoeilijkt, waardoor het voedseltekort nog verder toeneemt. 

Ondergesneeuwd

Het tekort aan voedsel is een enorme ramp die in de media totaal ondersneeuwt bij het nieuws uit andere rampgebieden zoals Syrië, Oekraïne, Filipijnen en recent de overstromingen in Bosnië. Wat onlangs wel het nieuws haalde was de waarschuwing van de VN dat er een hongersnood dreigt, 'mogelijk zelfs de ergste sinds de jaren 80', als er niet wordt ingegrepen. Ook het Rode Kruis maakt zich grote zorgen over de humanitaire crisis in het land en opende daarom begin dit jaar een gironummer om geld op te halen voor de vluchtelingen. Helaas bleven grote donaties uit. Met als gevolg dat veel slachtoffers verstoken blijven van hulp. Door het vertellen van de schrijnende verhalen van de getroffen bevolking, hopen we een steentje bij te kunnen dragen om deze ramp wel de aandacht te geven die het verdient. Ook in Nederland.​

7 miljoen mensen getroffen

Hoeveel mensen zijn getroffen? De VN becijferde dat zo'n '7 miljoen mensen', net zoveel als de helft van de Nederlandse bevolking, hulp nodig heeft. Waarvan '3,7 miljoen accuut'. Op dit moment wordt slechts 20 procent van de vluchtelingen geholpen. In 59 van de 129 gerapporteerde gebieden waar vluchtelingen zitten wordt nu hulp geboden, aldus de VN. 50.000 kinderen lopen het risico om te sterven aan ondervoeding als hulp uitblijft. Een extra complicerende factor voor het verlenen van hulp is dat er nauwelijks wegen zijn in Zuid-Soedan. Het grootste deel van de hulpgoederen moet daarom via de lucht vervoerd worden. Nu het regenseizoen is begonnen is ook dat moeilijk geworden, want veel landingsbanen zijn onbegaanbaar geworden. Ook  de paar wegen die er wel zijn zijn een grote modderpoel. Grote delen van Zuid-Soedan, een land zo groot als Frankrijk, zijn daardoor zo goed als onbereikbaar geworden. De enige manier die nu overblijft om hulp te kunnen verlenen is door voedsel droppings te doen vanuit de lucht. Dat is uniek in de wereld. Inmiddels is de hulpoperatie in Zuid-Soedan van het internationale Rode Kruis (ICRC) uitgegroeid tot de twee na grootste in de wereld.

Kijkje in de keuken

Tijdens dit bezoek krijgen Juriaan Lahr, hoofd internationale hulp en ik een kijkje in de keuken van deze enorme operatie. Ook gaan we de vluchtelingen bezoeken die in de kampen en op andere plekken 'een veilig' heenkomen gezocht. Ik bereid me voor op heftige verhalen, want naast het tekort aan voedsel, schoon drinkwater en medicijnen, zijn veel Zuid-Soedanezen gewond. Volgens het Rode Kruis hebben op dit moment tien duizenden mensen dringend medische hulp nodig. Alsof dat nog niet genoeg is, zijn onlangs door het gebrek aan hygiëne ook besmettelijke ziektes uitgebroken, zoals cholera. Tot nu toe zijn er 586 mogelijke besmettingen en 22 mensen overleden aan de gevolgen van die ziekte. Voorlichting om infectie te voorkomen en bestrijding van deze ziekte is van levensbelang.​

Vlak voor mijn vertrek vraagt onze Rode Kruis gelegeerde in Zuid-Soedan, Jos Miesen, wat mijn maten zijn. Hij wil laarzen en regenjassen voor me regelen. En of ik een tentje mee wil nemen, want dat is de enige manier om te overnachten bij het bezoek aan de vluchtelingenkampen in het noorden van het land. Verder waarschuwt hij mij dat ik er rekening moet houden dat de geplande bezoeken vanwege het slechte weer, of wegens onveiligheid op het laatste moment kunnen worden afgezegd. De lange reis naar Zuid-Soedan gebruik ik om te lezen over de recente geschiedenis van het land. 

Wat is de Wat

Mijn eerste kennismaking met het land, was via het indrukwekkende boek Wat is de Wat van schrijver Dave Eggers. Het is het verhaal van Valentino Achak Deng, een jongen van zes, die een vluchteling wordt in het door oorlog verscheurde Zuid-Soedan. Een levensgevaarlijke tocht waarbij hij in contact komt met vijandelijke soldaten, rebellen, hyena's en leeuwen, ziekte en hongersnood. Een hartverscheurend verhaal dat op mij een onuitwisbare indruk heeft gemaakt. Het boek speelt zich af in de periode dat Soedan en Zuid Soedan nog een land waren. Na de onafhankelijks verklaring in 2011 van Zuid-Soedan, het nieuwste land van de wereld, zou je verwachten dat alles beter zou worden. Helaas is het tegendeel waar. Dat deze mensen nu opnieuw worden getroffen, maakt de situatie extra schrijnend. Ik vraag me dan ook af of zij ergens nog een sprankje hoop hebben op een betere toekomst.​