Het logo van het Nederlandse Rode Kruis.
Zoeken.
Home Afdelingen Afdeling Amsterdam Dit doen we Op zoek naar familie Bijzonder verhaal

Bijzonder verhaal

Geschreven door Babs Assink, verschenen op 10 januari 2009 in Volkskrantmagazine

"Laten we samen nog eens goed nadenken", probeert vrijwilligster Henny Krijger. Ze buigt voorover naar een 40-jarige Afrikaanse vrouw, Ama Dofi uit Eritrea. "Want ik heb helaas nog geen goed nieuws voor u. Het Internationale Rode Kruis wil nog meer weten over uw dochter." Krijger pakt een leeg vel papier, en geeft Ama Dofi een potlood. "Tekent u nog eens waar uw huis vroeger was. Of de kerk? En de markt? Hoever lopen was de markt van uw huis?"

De Eritrese vrouw doet haar best om zich dingen te herinneren. Onder de tafel wiebelt ze met haar voeten. Nerveus plukt ze aan haar roze T-shirt. "Ongeveer 15 minuten lopen", zegt ze, enigszins radeloos.

Een inloopspreekuur, in hartje Amsterdam, op het kantoor van het Rode Kruis. In de spreekkamer bladert Krijger nog eens door het dossier. Ama Dofi heeft haar dochtertje 13 jaar geleden voor het laatst gezien, in de hoofdstad van Eritrea. Dofi werkte bij de overheid - "ik kan niet zeggen wat ik daar deed" - en had haar toen 4-jarige dochtertje, vlak voor haar vlucht naar Nederland, om veiligheidsredenen al ondergebracht bij haar zus. "Ik moet altijd huilen, ik weet echt niet meer waar ze gebleven kan zijn."

Later zegt Henny Krijger: "Dit is een hele moeilijke zaak. Ze kan zich na al die jaren steeds minder herinneren. Dat zien we wel vaker, dat de gebeurtenissen heel diep weggestopt worden, puur om te overleven. Maar wij móeten die luiken weer openen en met ze teruggaan naar die periode. Ze weet niet meer waar haar zus is gebleven, die toen voor haar dochter ging zorgen."

Ondertussen is een andere vrijwilliger, Jan van Frankenhuijzen - grijs haar, bril, geblokt overhemd - bezig met de zaak van een meisje uit Angola. "Dit spoor loopt dood. Het Rode Kruis heeft het halve dorp bevraagd, maar niemand weet waar haar moeder is." Een derde vrijwilliger bekijkt een nieuw opsporingsverzoek, van een Somalische vrouw die haar bejaarde moeder zoekt.

In het glazen kantoor van het Rode Kruis zetelt elke donderdagmiddag het speciale opsporingsteam van het Rode Kruis, dat onder meer bestaat uit Jan, Henny en Thérèse, 3 vrijwilligers die "voeling willen houden met de samenleving', en zich naast hun gewone baan 1 dag per week inzetten voor vluchtelingen die op zoek zijn naar hun familie. Ze helpen mensen die, tijdens hun overhaaste vertrek uit hun geboorteland, in de chaos van oorlog en geweld, hun kinderen of naaste familie zijn kwijtgeraakt. Wereldwijd overkomt dit honderdduizenden mensen, uit landen als Ethiopië, Eritrea, Somalië en Sierra Leone. Of uit Afghanistan, Irak, en landen in het Midden-Oosten.

"Deze mensen staan onder extreme druk", zegt Henny Krijger, die een praktijk heeft in 'mediation', in echtscheidingsbemiddeling." Ze zijn vaak moederziel alleen, in een wildvreemd land, en hebben geen idee of hun kind of man nog leeft. Wij proberen ze op weg te helpen en een eind te maken aan die onzekerheid."

In Nederland zijn er inmiddels 37 lokale opsporingsteams van het Rode Kruis waar vluchtelingen terecht kunnen. Teams die draaien op de inzet van sociaal bewogen vrijwilligers, veelal mensen die gestopt zijn met werken in bijvoorbeeld de advocatuur, maatschappelijk werk of het onderwijs. Maar ook studenten politicologie of culturele antropologie, zetten zich in als 'speurneus'. "Contact met je familie of kind is een mensenrecht', zeggen de teamleden in koor. "Informatie daarover is net zo belangrijk als voeding, kleding of onderdak."

De vrijwilligers worden aangestuurd door de professionals op het Landelijk Bureau van het Nederlandse Rode Kruis in Den Haag. Daar wordt bepaald of de zoektocht naar bijvoorbeeld een kind gaat beginnen. Of er genoeg aanknopingspunten zijn om mensen terug te kunnen vinden.

Het opsporen is vaak een ingewikkelde, tijdrovende operatie, die veel geduld en doorzettingsvermogen eist. Van de vrijwilligers, maar vooral van de mensen die hun familieleden soms al jaren niet meer hebben gezien.
"Ik weet nog dat ik dacht: "Dit wordt niks. Het Rode Kruis zal mijn dochter en man niet terugvinden. Ik weet zeker dat ze dood zijn." Doris Komba uit Sierra Leone praat langzaam. Hoe meer ze over haar verloren dochter spreekt, hoe zwaarmoediger de blik in haar ogen.

In haar kleine portiekflat in Dordrecht zegt ze: "Ik werd drie jaar geleden door het maatschappelijk werk op de opsporingsteams van het Rode Kruis gewezen. "Het ging heel slecht met me. Ik was vreselijk depressief, mager, gestresst en verdrietig om mijn 5-jarige dochter."

De 30-jarige vrouw, gekleed in een legerbroek en zwarte trui, halflang haar, strijkt continue met haar vingers over de foto van haar dochter Isatu. Op de foto is het meisje 5 jaar. In een blauw-wit gestreept badpak, met haar voeten in de zee, glimlacht ze naar de camera. "Ze was altijd bij me. Overal. Ik heb haar nu al zeven jaar niet gezien." Ze kijkt naar de foto. Stilte volgt. En dan: "God, Isatu…"
Zeven jaar geleden kwam Doris Komba aan in Nederland. Verward, na een lange reis op zee, en drie maanden zwanger van haar tweede kind. Op de vlucht voor de nietsontziende rebellenlegers in Sierra Leone, liep ze met haar man en 5-jarige dochter Isatu, dagenlang door verbrande dorpen, op zoek naar een veilig plek. Tijdens een nacht werden ze omringd door het leger, de plek waar ze schuilden werd gebombardeerd. Doris, die binnen op de grond sliep, vluchtte in paniek door het raam naar buiten. Een paar seconden later werd het huis in brand gestoken.
 
Haar man en kind heeft ze daarna nooit meer gezien. Ze wist niet of ze dood waren, of dat ze nog leefden. Er was geen zekerheid. Doris: "Ik heb vaak gedacht: " Dit is het werk van de duivel geweest, om een moeder te scheiden van haar kind."

In een asielzoekerscentrum beviel ze van haar tweede dochter, Beatriz. "Met haar was ik blij, zij heeft me in leven gehouden. Ik zei vaak tegen haar: "Voordat je bent geboren had mama nog een ander kind, in Afrika. Ze heet Isatu, we zijn haar kwijtgeraakt in de oorlog, maar we mogen haar nooit vergeten."
De zoektocht van de Afrikaanse Doris Komba begon, zoals elke opsporing begint. Met een gesprek, een interview met een Rode Kruisvrijwilliger, waarin ze zoveel mogelijk informatie moest geven over haar man en dochter. Waar ze elkaar voor het laatst hadden gezien, de naam van de kerk, school, ouders, opa's en oma's. "We pakken die gesprekken heel serieus aan", zegt coördinator Jan van Frankenhuijzen in het kantoor in Amsterdam. Elk detail over de vermiste persoon wordt minutieus vastgelegd op een formulier, een opsporingsverzoek. "Dat eerste contact is ontzettend belangrijk. Op basis van onze informatie wordt eerst in Nederland, en daarna op het hoofdkantoor van het Rode Kruis in Genève bepaald of er genoeg aanknopingspunten zijn om iemand te gaan zoeken."

Van Frankenhuijzen wijst naar een tekening: "We vragen ze ook vaak om een plattegrond te tekenen. Met hun huis, een plein, of de school. Soms vergemakkelijkt dat het zoeken in de landen van herkomst. En kan de Rode Kruismedewerker ter plaatste daardoor soms wel dat ene aanknopingspunt vinden."
Wie zijn familie zoekt in moeilijk begaanbare landen, moet geduld en uithoudingsvermogen hebben. Het kan soms maanden duren voordat een opsporingsverzoek vanuit, zeg Amsterdam, aankomt in dat ene kleine dorp in Sierra Leone. Een zoektocht naar een vermist persoon kan zomaar tussen de 6 en 12 maanden in beslag nemen.

"Bij mij heeft het minstens een jaar geduurd", zegt Doris Komba. "In Sierra Leone was alles verwoest. Wegen, communicatiemiddelen, vliegvelden. Toen de Rode Kruismedewerkers mijn dorp Koidu Town eindelijk wisten te bereiken, waren ze drie maanden verder."
 
Komba's opsporingsverzoek ging via het Landelijk Bureau in Den Haag naar Genève en van daaruit naar een Rode Kruiskantoor in Sierra Leone. Lokale medewerkers gingen per jeep, fiets en het laatste stuk zelfs lopend naar het dorp, om te constateren of haar gezinsleden er nog woonden.

Komba: "In mijn dorp waren veel mensen gevlucht. Er woonde bijna niemand meer die mijn dochter nog kende. Dat heeft veel tijd in beslag genomen." Ter plekke werd iedereen bevraagd die iets meer zou kunnen weten over haar man en kind. Uiteindelijk leidde het spoor naar de hoofdstad Freetown. Daar zou haar dochter zijn gesignaleerd. De slagingskans is 25 procent. Soms komen de medewerkers met verheugend nieuws terug, maar heel vaak ook niet, wist ook Doris Komba.

"We vertellen de mensen altijd dat er een kans bestaat dat het niet lukt. Maar we gaan natuurlijk voor het hoogst haalbare", zegt Jan van Frankenhuijzen, terwijl hij naar een ladenkast loopt. "De momenten dat je iemand blij kunt maken, daar doen we het voor. Die vergeet je niet meer."

Henny Krijger 'googelt' thuis vaak nog tot diep in de nacht door, om nieuwe aanknopingspunten te vinden in haar zaken. "Laatst heb ik op Google Earth de school van een meisje gevonden. Daardoor kreeg haar zaak toch weer een nieuw element waarop we verder konden. Zo gedreven ben ik wel."
Maar de twee, inmiddels ervaren, vrijwilligers maken ook regelmatig mee dat de vluchtelingen zo getraumatiseerd zijn, dat ze nauwelijks in staat zijn om informatie te geven. Krijger: "Herinneringen zijn dan te pijnlijk. Ze zijn nog niet in staat om die allemaal terug te halen. En soms zijn ze bang. Dat ze het bericht zullen krijgen dat hun kind dood is."

Ook bij de Afrikaanse Doris Komba waren de feiten over haar verleden ver weggestopt. "Het was te pijnlijk. Alles in mijn lichaam deed zeer, mijn hart bonkte, als ik aan haar dacht."

Regelmatig hoorde ze beneden, op straat, haar naam. "Doris, Doris, riep iemand zacht. Het klonk als de stem van mijn verloren dochter."
Terwijl Doris in Nederland, met haar jongste dochter een nieuw bestaan probeerde op te bouwen, werd er in Sierra Leone door het Rode Kruis verder gezocht. In Freetown, de hoofdstad van Sierra Leone, vonden ze, in maart 2005, op een doordeweekse dag, haar dochter. En twee dagen later haar man.
Doris Komba: "Ik kreeg bezoek van het Rode Kruis. Ze gaven me een brief, met daarin foto's van mijn dochter en man. Ik was compleet in shock. Ik kon het niet geloven. Ik heb alleen maar geroepen: "Dit kan niet, dit kan niet……" Ik zag het als een geschenk van God."

Haar dochter woonde inmiddels in Freetown, bij een mevrouw die haar zeven jaar geleden - kort na hun vlucht- in huis had genomen. "Mijn man kon niet voor haar zorgen. Hij had geen geld en geen werk. Hij heeft haar noodgedwongen onder moeten brengen. Ze zien elkaar om de week."

Ze staart naar recente foto's van haar dochter, die inmiddels 12 jaar oud is. "Hier is ze op school. En dit zijn haar vriendinnen." Komba laat nog meer foto's zien van haar dochter. Een ernstig kijkend meisje, dat op geen enkele foto lacht.

"Ik verlang zo intens naar haar, dat het vaak pijn doet. Ik wil haar bij me hebben. Ik vind het heel moeilijk dat mijn man en dochter nog steeds in Sierra Leone zijn, en wij hier in Nederland."
 
Coördinator Jan van Frankenhuijzen zit inmiddels weer achter zijn computer. "De hereniging, zoals die van Doris Komba met haar gezin, doen wij zelf niet. Daar helpen vluchtelingenorganisaties mee."

Hij klikt op een landkaart want hij is op zoek naar een dorp in Irak. "Als het moet, ga ik vanavond thuis nog verder", zegt hij resoluut. Zijn juridische kennis - hij was 26 jaar advocaat gespecialiseerd in familierecht - komt hem regelmatig van pas.

In de spreekkamer klapt Henny Krijger haar map dicht. Ze kijkt de Eritrese Ama Dofi spijtig aan. "Helaas mevrouw, dit is het voor nu. Denkt u thuis alstublieft nog eens heel goed na." Ama Dofi wrijft over haar ogen. Even later verlaat ze met gebogen hoofd de spreekkamer. Dan stapt ze het pand uit, en weg is ze.

Henny Krijger zucht. "Ik denk heel eerlijk gezegd dat dit niet goed komt. Ze heeft geen detailleerde informatie over haar dochter en zus. Ik ben bang dat het Internationale Rode Kruis opnieuw zal oordelen dat de zoektocht zo geen zin heeft. Ik heb haar geadviseerd om er ook met andere mensen uit de Eritrese gemeenschap over te praten. Maar ik vrees het ergste."
 
Hoe goed en nauwgezet de vrijwilligers ook werken, ze moeten regelmatig slechtnieuwsgesprekken voeren. Henny Krijger: "De ergste momenten zijn als je ze bij de deur gedag moet zeggen. Vooral in de winter. Ik heb een keer gehad dat iemand naar de lantarenpaal liep en tegen de paal begon te huilen. Dat raakte me diep. Ik wist op dat moment gewoon niet wat ik moest doen."
Het clichébeeld dat 'hulpverleners' zo'n moment meteen weer moeten loslaten, omdat ze 'dit werk anders niet kunnen doen', gaat voor Krijger niet op. "Bij mij hakt het er altijd in. Ik neem het mee naar huis en denk er nog veel over na. Meestal na een dag of drie zakt het wel wat."

De oud-advocaat Jan van Frankenhuijzen verklaart het anders. "Ik heb geleerd een rol te spelen. Ook in mijn tijd als advocaat, kwamen zaken minder hard aan, als ik de advocaat bleef. Zodra ik als "Jan" naar de kwestie keek, werd ik erg gevoelig. Dat is bij dit werk ook zo."

Doris Komba had geluk. Het Rode Kruis heeft haar kunnen helpen. Maar nu, bijna 2,5 jaar na het verlossende telefoontje, heeft ze hen nog steeds niet ontmoet. Ze heeft wel met ze gesproken aan de telefoon. "Het eerste gesprek was heel emotioneel, voor ons allemaal. Mijn man huilde. Hij heeft altijd gedacht dat ik dood was, omdat het huis waar we in schuilden op die beruchte dag helemaal uitgebrand was."

Met dochter Isatu spreekt ze nu wekelijks; iedere zondag belt Doris naar Sierra Leone.

Zij en haar jongste dochter Beatriz willen nog maar 1 ding: zo snel mogelijk worden herenigd met de rest van het gezin en in Nederland een nieuwe toekomst opbouwen. Doris heeft inmiddels een verblijfsvergunning, een flat in de buurt van Rotterdam, haar jongste dochter gaat naar school en ze doet een inburgeringcursus. Een vluchtelingenorganisatie helpt haar om de juiste documenten te verzamelen voor de IND, de Immigratie en Naturalisatiedienst. De gezinshereniging is inmiddels aangevraagd, maar de verwachting is dat het nog lange tijd kan gaan duren. De IND wil dat de vader en dochter een DNA-test doen, om er zeker van te zijn dat ze inderdaad familie zijn. "In Sierra Leone bestaat die mogelijkheid niet, daarvoor moeten ze naar buurland Ghana. En daar heeft mijn man momenteel het geld niet voor."

Het leven lacht haar in elk geval weer wat toe vind ze zelf. Het opsporingsteam van het Rode Kruis heeft haar de moed en kracht om te bouwen aan een toekomst, teruggegeven. "Vrienden van me hebben minder geluk, die zoeken nog steeds naar hun kinderen. Op een dag zal ik mijn man en kind weer in armen sluiten. Het eerste wat ik dan tegen mijn dochter zeg: "Welkom in Holland, welkom terug bij je moeder."