Het logo van het Nederlandse Rode Kruis.
Zoeken.
Home Afdelingen Afdeling Rotterdam Actueel Nieuws 'Iedereen die 15 jaar als vrijwilliger werkt verdient zo'n ding!'
20 mei 2016 |

'Iedereen die 15 jaar als vrijwilliger werkt verdient zo'n ding!'

​Wanneer ik op een zonnige morgen naar het kantoor aan de Leeuwenstraat ben gefietst voor mijn afspraak met Wim Smit, blijkt dat we vandaag de enigen op kantoor zijn. De dag na de gecombineerde Hemelvaart/Bevrijdingsdag heeft iedereen vrij.

Wim biedt koffie aan en we zoeken in het kantoor naar suiker, melk en roerstaafjes.
‘Wat wil jij erin?’

Melk alsjeblieft. En jij?

‘Nee niks.’ Wim wijst op zijn buik. ‘Ik moet echt nog wat afvallen.’
Wanneer we zijn gaan zitten vraag ik of hij al bekomen is van de schrik; de dag voor Koningsdag heeft Wim de eremedaille in de Orde van Oranje Nassau ontvangen.
‘Nou schrik. Schrik niet. Het was een warme douche. Aan de andere kant vind ik dat iedereen die 15 jaar als vrijwilliger werkt, zo’n ding verdient.’

Bij jou is het wel iets meer dan 15 jaar, Wim!

‘Ja dat klopt, maar dat komt omdat ik ook al lang als sportleider binnen de recreatie sport en bij RoParun actief was. Ik heb ruim 15 jaar sport gegeven in een sporthal, balspelen en oefeningen, van alles. Ik was een jaar of 18, 19 en toen rolde ik er al in. Dat heette toen nog prestatielopen, nu heet dat duurloop. En dan ging je dat uitzetten in de Rhoonse Grienden, een schitterend gebied daar.’

Kom jij daar vandaan?

‘Nee, ik kom uit Poortugaal. Oorspronkelijk Rotterdam hoor, dat is waarschijnlijk te horen.
Zo via de recreatie sport heb ik de cursus sportleider gevolgd. Schitterende cursus, raad ik iedereen aan.’

Want?

‘De saamhorigheid. Misschien hadden wij ook wel een heel goede groep. Je gaat weekenden op stap, moet je voor iedereen een avondspel in elkaar zetten en beschrijven. Het examen was in Ockenburg, Den Haag. Die jeugdherberg heb je daar. Dat crematorium, dat is iets verder. Moest ik voor 200 personen een heel weekend organiseren, allemaal gastjes van de voetbalclub van 12, 13 jaar. Dan weet je het wel.’

Met name voor jongeren, want jij was toen ook nog heel jong?

‘Nou nee hoor, ik was al een jaar of 30 schat ik.’

En ben je ook zo het Rode Kruis ingerold?

‘Nee dat ging met de RoParun. Toen zat ik er daar en ik weet niet meer hoe hij heette, John Heijnen denk ik, die zat daar met de Rode Kruis bus in Parijs zijn prakkie te koken op een Primus en ik dacht, dat is ook wel leuk. Verder niet bij stilgestaan. Toen gingen we nog naar Parijs toe. De finish was echt onder de Eiffeltoren. Dat was ook een sport. Dat je een te hoge bus hebt en dan het tunneltje onderdoor wil in de spits en dan achteruit steken!
Toen ging ik naar een andere afdeling bij de RET en mijn chef die zat bij het Rode Kruis hier. Ik had al heel lang mijn EHBO-diploma. Dat is eigenlijk gekomen toen mijn zoon één was of anderhalf. Die had een waterpistooltje gehad maar daar zat zo’n los spuitdoppie op. Hij krijgt dat in zijn keel. Dus ik graaien en graaien. Gelukkig is dat allemaal goed gekomen maar toen heb ik gezegd: dat nooit meer.
Maar die chef zei: ‘Joh wanneer kom je eens bij het Rode Kruis?’ dus toen heb ik dat gedaan. En zo is het begonnen.’

En de RET was waar jij je overdag mee bezig hield?

Ja, mijn werkgever. Ik was inspecteur daar. Ik ging al die trambanen, busbanen schouwen. Opschrijven, tekeningen, uitbesteden aan de voorbereiding. Ik moet zeggen, een wereldjob.
Ik ben bij het Rode Kruis eigenlijk in ‘92/’93 begonnen. Toen wilden ze dat ik eerst mijn verpleging en verzorging ging doen. Een cursus. Maar daar had ik geen interesse in. Ik wilde naar het GHOR. Rampenbestrijding.
Ik zei: ‘Ik ga niet.’ Toen mocht ik eerst die cursus doen voor het GHOR en het jaar daarna die verzorging. Dat is de reden dat ik hier sta ingeschreven sinds ’94. Want je werd pas ingeschreven als je die verzorging en verpleging had gehaald.’ Hij wijst naar zijn schouder; ‘Dan kreeg je hier zo’n blokje.
Maar, dat moeten ze eigenlijk weer invoeren, die cursus verzorging. Dat is echt een sociaal iets. Je gaat ook stage lopen in een verzorgingstehuis.'

Waarom wil je dat?

‘Nou, je krijgt weer andere inzichten. Wij hebben soms diensten met een grote groep ouderen. Die moet je ook wel eens naar het toilet helpen of gewoon een sociaal praatje. Wij hebben in het begin wel eens iemand gehad die zei dat ga ik niet doen.’

Die wilden alleen een pleister plakken?

‘Ja. Dan denk ik, dat is het niet alleen. Je bent niet alleen hulpverlener, het is toch ook een sociaal iets.
En zo is het gaan rollen. Ik ging ook met de vakanties mee naar het buitenland en toen ik terugkwam zei de coördinator op Schiphol al gelijk dat hij goede verhalen had gehoord en dat ik ook teamleider moest worden.
Dat schip (Henri Dunant) heb ik ook 7 keer gedaan en de Vierdaagse 6 keer. Toen was dat nog echt een hele week hè.’

Nu toch ook?

‘Nee nu kun je als hulpverlener per dag inschrijven maar vroeger zat je daar van ‘s maandags tot zaterdagochtend. Bleef je daar slapen.’

Hoe deed jij dat met je werk dan?

‘Nou vroeger kreeg je daar gewoon vanuit de gemeente een week verlof voor. Dat is niet meer hoor.’

Dat lijkt me ook het probleem als je zo’n opleiding met een stage weer wil invoeren.

‘Ja dat, maar ook omdat de tijd gewoon veranderd is. De maatschappij is veranderd. De mensen zijn veranderd.’

Minder hulpbereid?

‘Nee nee, gewoon een andere mentaliteit. Zo ervaar ik het soms.
Vroeger was het Rode Kruis ook behoorlijk strak hoor. Ze keken alles na. Of je goed gekleed ging, schoon was, ze keken nog net niet in je oren.  Het heette vroeger niet voor niks de Colonne. Die mentaliteit is gewoon anders, maar dat houd je toch niet tegen.
Jonge mensen hebben ook andere pleziertjes. Niet slecht bedoeld hoor. Laten we eerlijk zijn, ze komen binnen met 18, krijgen verkering, gaan trouwen, krijgen kinderen, dan raak je ze kwijt. Dan hebben ze minder tijd. Heel begrijpelijk hoor. Als de kinderen wat groter zijn, willen ze wel eens terugkomen.’

Zie jij dat als de grootste uitdaging voor de organisatie? De jongeren behouden?

‘Er zijn zoveel onderzoeken geweest naar het Rode Kruis. Dat de hulpverlening stoffig en grijs zou zijn.’

Is dat niet het probleem bij meer vrijwilligersorganisaties?

'Ja maar bij het Rode Kruis is niet iedereen vrijwilliger. Ik heb zelf ook bij het SIGMA gezeten. Ik moet er persoonlijk niet aan denken dat daar mensen lopen van 65.  Dat moeten gasten zijn die, zoals ze dat in de voetbal zeggen, het gras willen opvreten.’

Als ik nu kijk naar het huidige Noodhulpteam dan zijn dat toch ook wat jongere gasten?

‘Ja nu wel. Ik ben er zelf ook met 60, 61 uitgestapt. Dat doe ik niet meer. Naar de klant is dat ook niet goed.’

En waar houd jij je nu mee bezig binnen het Rode Kruis?

‘Ik ben nog steeds EHBO-er. Hulpverlener. Teamleider van de vrijwilligers. Dat houdt in dat als er een probleem op de vloer is tussen 2 mensen en er is een teamleider bij, dan moet hij proberen dat eerst op te lossen.’

Zijn dat zaken onderling of inhoudelijk?

‘Alletwee. Je hebt zoveel mensen, zoveel karakters. Die willen allemaal met een tevreden gevoel naar huis gaan. Dan gaan we er over kletsen. En als het te gek is moet Carine erbij want die is vrijwilligersmanager.
Maar ik tracht het altijd op te lossen. Ik ken veel personen. Als je hier lang zit weet je, die heeft zo’n karakter en die zo’n. Meestal scheelt het niet zoveel hoor maar is het meer de beruchte druppel. En soms, ik vind dat heel vervelend hoor, moet je zeggen, het gaat niet meer. Ik denk dat het beter is als je weggaat. Ik probeer altijd dat mensen zelf de conclusie trekken.’

Heb je wel eens heftige dingen meegemaakt binnen de hulpverlening?

‘Ja, 3 keer een reanimatie. Er is er 1 opgestaan, ik zeg het allemaal laconiek maar die andere 2 waren niet te redden. Dat was hier op de Rotterdam marathon. Een loper van 42 jaar. En wat me ook wel aangreep was een knul van 14. Die deed met een groep van school een gedeelte van de marathon. Hebben ze ook van alles aan gedaan maar was niet te redden.
En een keertje bij de Run for Kika. Was een chauffeur. Ik liep met een collega daar het terrein op en we zagen hem in elkaar zakken. We zijn gelijk begonnen en die heeft het gehaald. Die kwam me het jaar daarop een bosje bloemen brengen.
Maar ik heb ook met Zomercarnaval dingen beleefd! En heel erg waren ook de kampioenschappen van Feyenoord.’

Zoveel jaar geleden? Niet deze?

‘Ja, je hoeft het er niet in te wrijven hoor!
Toen stond ik met Edwin Berkhof. Dat was rellen, rellen, rellen. Het begon met de UEFA beker met een reanimatie. Werden we opgeroepen daar ergens achter bij een flat achter de Lijnbaan. Hebben we ons de blubber gelopen. Toen die rellen. Hier op de Coolsingel iemand die waarschijnlijk van het 
balkon van het stadhuis was afgesprongen. Zijn enkel stond er helemaal naast. Ed en ik erbij. Ambulancepersoneel. En gelijk de ME: ‘Opschieten ze gaan met glas gooien.’ Die gozer zegt: ‘Ik ga niet op de brancard.’ De ME met schilden boven ons. Toen is er gezegd ‘Of je gaat erop of we gaan weg.’ Dan heb je echt dat verhaal van je eigen veiligheid eerst. Maar hij ging wel liggen hoor.
We zijn in de ochtend begonnen om 9 uur en we waren ‘s nachts om 3 uur klaar. Dat zou ook niet meer gebeuren. Maar nog als ik Ed zie…
En bij het kampioenschap heb ik voor het eerst gezien dat de politie geschoten heeft. Die waren zo in het nauw. De zogenaamde platte petten gingen schieten.
Toen had je de Blokker nog aan de Meent. Ze hadden daar de ruiten ingegooid en gingen met die spullen en schalen gooien. Wij zaten in de PAM en ze wilden allemaal die bus in. Wij die deur dichthouden, ja dahag. Toen moesten we ook onder politiebescherming  slachtoffers halen. Achteraf denk je weleens….
Aan de andere kant was het spanning en sensatie.’

Agressie tegen hulpverleners is dus kennelijk niets iets van de laatste tijd?

‘Nee dat had je vroeger ook.
Ik moet wel zeggen dat ik bij geen 1 happening angstig geweest ben. Misschien naïef maar ik kan het me niet herinneren. De adrenaline is aanwezig en je staat ergens voor. Als daar iemand ligt te creperen wil je toch helpen.’

Hoe keek je vrouw daarnaar?

‘Ja, je moet soms niet alles vertellen.
Mijn vrouw liep wel eens te schelden dat ik zoveel weg was. Zeker toen wij nog Ahoy hadden was je drie of vier keer in de week weg. Werd er weer gebeld: ‘We krijgen de dienst niet vol.’ Dan belde je naar huis en dan was een beetje sussen en dan ging je weer. Dat deden anderen ook hoor, ik niet alleen.
Je wilde het Rode Kruis niet in de steek laten.  Dat heb je nu nog soms. Dat er een groepje is dat altijd klaar staat als je belt.’ 

Stel jij moet iemand binnenhalen als vrijwilliger. Hoe verkoop jij het Rode Kruis?

‘Je komt in een organisatie die heel veel kan bieden als je zelf wil. Dan moet je wel zeggen welke cursussen je wilt doen. Je hebt sociale contacten, ook in het veld. Je belevingswereld wordt een stukkie groter. Je kletst met iedereen op je dienst. Je kletst met feestgangers; sommige dronken mensen zijn heel leuk. Je gaat anders naar personen kijken die je vroeger misschien voorbij liep.
Ik zal eerlijk zeggen, ik stotterde vroeger behoorlijk maar sinds de laatste tijd gaat het, ik zal niet zeggen vloeiend, maar wel haast automatisch. Ik denk dat ik, omdat ik overal ging kletsen, daar een beetje overheen gegroeid ben. En ook qua mentaliteit ben ik gegroeid. Ik heb ook stottertherapie gehad.

Mijn man heeft het eigenlijk alleen als hij vooral ergens vol van is en heel veel wil vertellen. Dan begint hij te stotteren.

‘Hoe had hij dat vroeger?’

Hetzelfde.

‘Ik ben op stottertherapie geweest in Dijkzigt (nu Erasmus). Om het te accepteren moesten wij de straat op en naar een restaurant op de Lijnbaan. We waren met een groep van een man of acht en wij moesten iets bestellen. Op ieder woord moesten we stotteren.’

Mijn god!

‘Ja dat zei die ober ook. Na 2 gasten geholpen te hebben ging die weg. Zijn manager halen. ‘Ik word hier belazerd’ zei die ober. Toen hebben we dat uitgelegd en was het goed natuurlijk.
Op de Lijnbaan moesten we ook aan mensen de tijd vragen. Dan geven ze dus geen antwoord maar dan wijzen ze naar hun horloge.  ‘Wij zijn niet doof hoor, je moet wel praten’ zeiden wij dan.
Toen ik 35 was, zat er ook iemand, die zijn vader was directeur van de Technische School in Charlois. Die zei ‘Heb jij geen zin om avondschool te geven bij ons op school?’ Nou daar moest ik wel even over nadenken. Ik heb dat 25 jaar gedaan. Praktijk en theorie. Dat was ook leuk.’

Heb jij nog iets dat jij graag wilt noemen?

‘Ze zijn hard bezig met het vormen van 1 regio. Dan kunnen we ons ook beter profileren. Wat ik wel jammer vind is dat de afdelingen soms met van die oude spullen zitten. Die materialen zijn soms zo oud, dat is echt geen reclame. Die materialen zien er niet uit. Investeer eens iets! Als je een grotere afdeling hebt, je samen kunt bestellen en er is een persoon die gehaaid genoeg is die kan afdingen, is er wat te bereiken.
En waarom moeten we over en weer rekeningen sturen? Jongens, zet alles in 1 grote pot!
Ik vind altijd; hier (op kantoor) is de voorbereiding, maar in het veld moet je de materialen hebben voor de uitvoering. En als daar iets verkeerd gaat, een brancard die in elkaar stort bij de marathon, dan ben je ook niet gelukkig.
Wij proberen de kwaliteit van de hulpverleners op diverse manieren op gewenst niveau te houden en te verhogen door constant met de coördinator opleidingen en de docenten nieuwe manieren te bedenken zoals thema-avonden, zeker voor de nieuwe mensen.
Daarom vraag ik gelijk aan iedereen die een bijdrage kan leveren aan onze hulpverleners op een thema-avond; meld je bij mij graag!’

Het volgende bezoek van Wim heeft zich ondertussen aangediend.
In het kader van de lijn nemen we de trap naar beneden.

Artikel delen?