Het logo van het Nederlandse Rode Kruis.
Zoeken.
Home Hulp wereldwijd Onrust in het Midden-Oosten Geweld in Syrië Blog vanuit Syrië Dag 4: Knoop in mijn buik

Dag 4: Knoop in mijn buik


Files overal in Damascus. Onze chauffeur legt uit dat de meeste wegen zijn afgesloten met wegversperringen. Al het verkeer moet door de paar straten die nog open zijn. De auto’s rijden kriskras door elkaar. Onderweg naar de ambulancepost van de Syrische Rode Halve Maan, Zhahira, scheelt het maar een haar of we hadden een fietsers en een paar wandelaars aangereden.  Een wonder dat de auto’s niet vol deuken en krassen zitten. Een van de dokters van de Syrische Rode Halve Maan vertelt me dat steeds meer mensen ervoor kiezen om met de fiets naar het werk te gaan.

Deze ambulancepost hebben we vorig jaar ook bezocht. De situatie is totaal veranderd vertellen de vrijwilligers. Toen reden de ambulances nog af en aan naar omliggende steden, zoals Homs en Idlib om hun collega’s te ondersteunen als er teveel gewonden waren. Nu is dat door het grote aantal wegversperringen niet meer mogelijk. Vanuit dit crisis centrum bedienen ze nu alleen Damascus en de buitenwijken van de stad, waar ze hun handen aan vol hebben. De verhalen van de vrijwilligers zijn niet optimistisch. De gebieden waar zwaar gevochten wordt  zijn moeilijk te bereiken. Meestal lukt dat , maar als het echt niet kan dan geven ze  telefonisch instructies hoe ze de gewonden moeten worden geholpen. Met als gevolg dat regelmatig mensen onnodig sterven.

Als er toestemming is van de strijdende partijen, is dat geen garantie voor veiligheid van de vrijwilligers. Vorige week nog werd een ambulance inclusief de verpleegkundigen en artsen aangehouden en mochten niet meer weg. Na onderhandelingen werden SARC vrijwilligers vrijgelaten. De ambulance moesten ze achterlaten. Vandaag kwam de melding binnen dat de ambulance was gesignaleerd met gewapende mannen aan boord. In een persverklaring waarschuwde de hulporganisatie vandaag dat deze ambulance niet meer in bezit is van SARC Verwarring hierover is levensgevaarlijk. Hulpverleners lopen daardoor het risico onderdeel te worden van de strijd en te worden beschoten. Iedere hulpverlener die we spreken zit vol met gruwelijke verhalen en voorbeelden van levensbedreigende situaties voor henzelf. Zo heeft vorige week een andere hulpverlener uren onder een ambulance gelegen om te voorkomen dat hij zou worden geraakt. En 14 collega’s van hem lagen elders in de straat achter een hokje, onder een andere auto of waar dan ook beschutting was. Vier uur later konden ze vertrekken. Voor zijn ogen zag hij mensen doodgeschoten worden. Het team was opgeroepen om tientallen lichamen te bergen. Sommigen lager er al bijna drie weken. Uiteindelijk mochten ze toch weg. Ze namen de lichamen mee en vertrokken. Ik had niet verwacht dat ik dat zou overleven, besloot de  vrijwilliger zijn verhaal. Tijdens het gesprek gaat het alarm gaat, het teken dat er een noodgeval is. De vrijwilligers rennen naar beneden. Vanuit de ambulance meldkamer, op de negende etage met uitzicht over de stad, zie ik de ambulance met zwaailichten en loeiende sirenes vertrekken. Op verschillende plekken zie ik rookpluimen omhoog komen. Als dat maar goed gaat.

Als we naar buiten lopen zie ik foto’s hangen op canvas van begrafenissen van hulpverleners. Ik bedenk me dat de mensen die ik vandaag heb gesproken de volgende kunnen zijn. Tijdens deze laatste avond van ons bezoek aan Syrië horen we opnieuw veel knallen. Dit keer wat dichterbij. Geen mortier geschut, maar helikopters die beschietingen uitvoeren. In bed besef ik me dat bij elke knal weer Syriërs gewond raken en dood gaan en dat onze hulpverleners erbij zijn. Met een knoop in mijn buik ga ik slapen.